Themafeestjes

Modegril van dit najaar: het themafeestje. Joost mag weten waarom, maar drie van de vijf uitnodigingen voor een feest die ik de afgelopen twee maanden heb ontvangen, werden ontsierd door een onmogelijke dresscode. Waarom? Omdat het toch hartstikke leuk is?! Iedereen duikt de verkleedkist in, komt blauwbekkend de halve stad door gelopen om zich in een overvolle huiskamer te vergelijken met andere genodigden, en zet het als de wiedeweerga op een zuipen om maar niet de hele tijd te beseffen dat men vanavond een stuk fruit is.

Nee, dat is helemaal niet leuk! Dit is wat er gebeurt op de dag van een themafeestje, ergens aan het eind van de middag: je hebt net je dagelijkse plichten tot een eind gebracht, staat in de supermarkt je mandje vol te laden, en ineens schiet het door je hoofd. Godver! Een pakje!

Eenmaal thuis kun je fatsoenlijk koken op je buik schrijven, want de hele garderobe moet binnenstebuiten gekeerd. Veiligheidsspelden, plakband, mascara en andere meuk worden gecombineerd met allengs verknipte gordijnen en goud gespoten schoenen die eigenlijk nog best prima waren, want vanavond zijn we een Arabische prins. Eenmaal aangekomen op het feest zie je meteen dat alle andere gasten hetzelfde probleem hadden. Dit met uitzondering van de organisatie, en natuurlijk die ene malloot die er altijd prachtig uitziet. God weet waar hij het vandaan haalt.

 

Vriend J geeft graag themafeestjes. En als hij ze niet geeft dan geeft hij glorieuze acte de présence, steevast verpletterend goed verkleed. Een week of drie terug stonden ik en vriendin N. Covers weer eens akelig flets af te steken bij zijn rockabilly-outfit. Themafeest op nummer 69. Het was druk, er waren neptattoo’s, er was brylcream en er was geen frisdrank. Vriend J besteeg de trap naar het feestgedruis met een kapotte gitaar op zijn rug, en op zo’n moment weet je: nu kan het pas echt beginnen!

Het zou een feest worden waar ik, vriend J en vriendin N. Covers nog lang over na zouden praten. Er zou gedanst worden, gedronken, op grote schaal getongzoend en het zou de kleine uurtjes van twijfelachtig elan voorzien. De herinneringen zouden als een incomplete legpuzzel uiteindelijk in een hoek verdwijnen. Ik weet niet veel meer. Ik weet nog wel dat ik mijn jas pakte. Het zal rond half vijf geweest zijn.

 

Mooi moment op een themafeest is altijd de entree van vriend T. Vriend T ziet er, ongeacht het thema, eigenlijk altijd uit als een theedoek. Daarbij drinkt hij op feestjes doorgaans dusdanig veel dat zijn outfit gedurende de avond als een soort verleppende plant in elkaar zakt. Het is op dit soort avonden dat de camera het meest van hem houdt.

Als ik dan toch op een themafeest wezen moet, zorg ik meestal dat ik tot het einde blijf. Het is op dat moment, dat de ware aard van je kennissenkring zich openbaart. En dat is verontrustend, op een prachtige manier. Iedereen heeft zich van weeromstuit helemaal vol gegooid met alcohol, en staat wankel ter been een slechte parodie op zijn dagelijkse zelf te wezen. Vooral de vrouwen zijn een lust voor het oog. Die verliezen zich bij dit soort gelegenheden namelijk steevast in het opsteken of touperen van hun haren tot de meest spectaculaire kapsels, en tegen een uur of vier ’s nachts is hier niet veel meer van over dan een soort verregende suikerspin met speldjes. Daarbij grijpen ze doorgaans de verkleedpartij met beide handen aan om eens ouderwets uit te pakken qua benen en decolleté. Weinig pakje, veel huid; dat is de strekking. Maar na anderhalve fles witte wijn gaat de schaarse stof aan het schuiven, en met dat soort aanblikken weten de heren wel weg. Dus, uiteindelijk, mondt het geheel toch gewoon weer uit in een slonzige janboel van te harde muziek, naakt vlees en verschaald bier. En zo hoort het ook.

 

Het zal rond half vijf geweest zijn. Terwijl ik mijn jas aantrok had vriendin N. Covers inmiddels de gitaar van vriend J’s rug te pakken. Ze stond hem aan stukken te slaan tegen de trapleuning. De verregende suikerspin ontnam me bijna, maar nog net niet, het zicht op haar glazige maar gelukzalige blik. Buiten miezerde het. Ik was de laatste om te vertrekken. Themafeestjes: blijf lekker thuis, of blijf tot het einde.

de kunst van Michael Bay

Het is natuurlijk nogal makkelijk een column over Michael Bay te schrijven. Het is denk ik ook al gedaan. Dat moet wel. Iemand die vreselijk slechte films maakt en zich daar niet voor schaamt is meestal rap aan de beurt. Al helemaal als hij niet tegen kritiek kan. Daar houden wij als columnisten van. Mensen die eerst iets volslagen overbodigs maken, dat met veel lawaai in de markt zetten, en vervolgens ontzettend kwaad worden als iemand zegt waar het op staat. Dat het een ontzettende kutfilm is. Of een kutboek. Over Louis van Gaal worden ook heel veel columns geschreven.

 

Voor de duidelijkheid: Michael Bay is de regisseur van Bad Boys, Armageddon en de Transformers-films. En voor nog meer duidelijkheid: Dit is geen veeg-uit-de-pan-column over Michael. Dit is een respectbetuiging. Want laten we eerlijk wezen: de man krijgt het allemaal toch maar mooi voor elkaar. Bay pompt al een jaar of twaalf schaamteloos kruiwagens met geld in zijn wanstaltige filmproducties, en ze worden nog goed bezocht ook. Geld speelt, net als het script, geen rol; de mensen komen iedere keer weer in grote roedels naar de bioscoop gehold.

Het geld is van iemand anders. Van een studio. Die studio geeft het aan Michael, zodat Michael er een veel te lange, krakkemikkige film van kan maken. Ik vraag me af hoe dat gaat. Ik zie een lange tafel voor me, een stuk of wat grijze pakken die waterige koffie nippen, en Michael Bay die staand aan het hoofd schreeuwend zijn nieuwste plan uit de doeken doet. Iets met een komeet. En Russen. En auto’s die door de lucht vliegen. En Megan Fox.

 

Maar goed. Ik heb dus respect voor Bay. En zijn films. En de manier waarop hij in zijn schandelijk dure producties alle regels van het actiegenre door de papierversnipperaar trekt. Actiescènes van Michael Bay hebben geen opbouw. Er begint ergens iemand te schieten, en vervolgens volgt er een twintig minuten durende kogelparade waarin volstrekt onduidelijk is wie er nu eigenlijk wie op de korrel heeft. Het maakt in elk geval een boel herrie. Dit alles gebeurt binnen het kader van een mallotig plotje, over een ploegje vaandeldragers van de VS dat het opneemt tegen eender welke lafhartige vijand. Doorgaans zijn dat Cubanen of Japanners, want die houden niet van Amerika. Bay wel. En daarom heeft hij voor het gemak in zijn omniversum de VN afgeschaft, wat zijn helden in staat stelt hele landen en ambassades aan flarden te knallen. En terwijl het geboefte per strekkende meter de beeldbuis uit vliegt, is altijd ergens nog wel ruimte voor een grap. Meestal over piemels.

Soms komen de schurken uit de ruimte. Het zal Bay eigenlijk worst wezen waar ze vandaan komen, zolang het maar niet Amerika is. Wat dat betreft laat een Bay-film zich eigenlijk bekijken als fitna met ontploffingen. En Megan Fox.

 

Niets dan respect heb ik voor Bay, maar dat had ik al gezegd. Ik heb ook respect voor Yakult. Ik ken helemaal niemand die het drinkt, maar toch vliegt het al tientallen jaren de winkel uit, en heeft het tussendoor ook nog de liquide middelen om Baantjer te sponsoren. En dat terwijl Yakult heel erg vies is. Ik heb ook respect voor Henk Westbroek, Saskia Noort, de PVV, en eigenlijk iedereen die jaar in, jaar uit verbeelding tartende troep maakt, en het toch aan een grote massa gesleten krijgt. Bay echter, gaat zich binnenkort aan remake van een Hitchcock vergrijpen. En dan heb je niet alleen heel veel geld verdiend met prutswerk, maar ook nog eens vreselijk veel lef.

 

Ach, die Michael Bay. Megan Fox vergeleek hem recentelijk met Hitler, en zei over haar ervaringen op de set: ‘Als hij action roept, wil dat zeggen dat ik moet rennen of schreeuwen. Of allebei.’ en ‘Zijn films hebben niks met acteren te maken.’ Daarna ging ze de hoofdrol spelen in een film over een lekker wijf dat, schaars gekleed, haar veroveringen opeet. Eigenlijk heb ik voornamelijk respect voor Megan Fox.

oktober

En dan is het ineens Oktober. Eerlijk is eerlijk: het zat er al een beetje aan te komen. Aan het begin van September rook ik al onraad. Toch, als het dan uiteindelijk zo ver is komt het toch altijd weer een beetje rauw op je dak vallen.

Oktober, laf excuus voor een maand.  Ineens is de nazomer voorbij, en zijn thee en zakdoeken niet aan te slepen. Er worden vermolmde Risk-borden uit het stof getrokken, ineens liggen overal in huis dekentjes, er kan weer lusteloos tegen blaadjes aangeschopt worden, en de regen pleurt met bakken uit de lucht omdat we in Nederland wonen. Het is herfst, zoveel is zeker, en snotterend Nederland mekkert blogs en Facebook vol over vallend loof, tranen op de ruit en andere ellende die zich makkelijk leent voor metaforen. Ik heb daar persoonlijk helemaal geen zin in. Ik probeer er dit jaar maar eens een gezellige draai aan te geven: weer eens een keertje ouderwets herfst! Lekker met zijn allen rond tafels met spelletjes en schalen eten en lekker warme truien en pannekoeken in het bos en opgewarmde drank en filmavondjes en borrels tegen de kilte en meisjes met natgeregend haar! Het is natuurlijk je reinste lulkoek, maar als je het maar vaak genoeg zegt klinkt het best aannemelijk.

Want eerlijk is eerlijk: het hoogst haalbare wat betreft de herfst is een soort tolerantie. Een gelaten acceptatie van het feit dat je er niks aan kunt veranderen. Sommige dingen in deze wereld zijn nu eenmaal akelig zeker. Lekker eten is slecht voor je, Ajax wordt nooit meer kampioen, en na de zomer komt onherroepelijk de herfst. Niks aan te doen.  

 

Het is natuurlijk een beetje een aanstellerig seizoen, de herfst. Staat sinds jaar en dag in de schaduw van de zomer, en daar is ‘ie opstandig van geworden. “Negatieve aandacht is ook aandacht”, moet hij gedacht hebben, en vervolgens is ‘ie ons het leven zuur gaan maken. Wij springen daar dankbaar op in, want de herfst is natuurlijk een prachtig podium voor goedkope emoties en groots en meeslepend lijden. We worden theatraal verkouden en melancholisch van al dat verval om ons heen. Van de weeromstuit gaan we hele lelijke gedichten schrijven, of kruipen we onder de dekens met een kiwi en een pak kandijkoeken. Het leven is geen pretje; dat weten we dan ineens weer heel zeker, en zolang de donkere maanden ons in de tang hebben kunnen we daar weinig aan veranderen. Weg opwaaiende zomerjurkjes. Weg dartele gemoedstoestand. Weg wuivend gras en knus rondzoemende hommeltjes. Dikke trui aan, beentjes omhoog, en wegkwijnen maar!

 

Nee, dan de mensen die de moed erin proberen te houden. Die stappen enthousiast snuivend de klamme koude ochtendlucht in voor een pittige herfstwandeling, en hebben een optimistische oplossing voor al het klein leed. Granaatappels: vitaminebommetjes! Scheut rum in je chocomel: nergens last meer van! Uierzalf onder je oksels: weer helemaal het heertje! Ze duwen schaterlachen van de herfstpret een hoop spek in een kippenreet omdat “lekker uitgebreid koken er in de zomer nooit echt in zit” en flikkeren ineens overal schenkstroop overheen. Bovendien hebben ze van kwaaltjes geen last, want “Weerstand is het toverwoord!” Ik heb daar moeite mee. Zolang er zoiets als het weekend bestaat, is weerstand opbouwen toch een beetje dweilen met de kraan open. Maar ach, ze proberen tenminste er iets van te maken.

 

Ach, de herfst. Gisteren deed ik boodschappen. Het was eigenlijk niet koud, maar ik had wel mijn winterjas aan. Hij staat me beter dan mijn zomerjas; ik ben daar heel eerlijk in. Door de stad slenterend zie ik nog weinig blaadjes liggen. Het is net als met de lente, maar dan andersom: van de ene op de andere dag liggen ze straks allemaal op de grond, een putlucht te verspreiden.

Om me heen zijn alle mensen onderweg ergens naartoe. Naar huis, naar de winkel, naar een vriend. Dat is, bedenk ik me, een groot verschil met lente en zomer. In de herfst is niemand gewoon buiten. Om het buiten zijn. Hij is onderweg. Iedereen hier, op dit plein, is onderweg. En voor even vind ik dat een heel gezellig idee.

Voor me vliegt een wesp. Sloom. Ook onderweg. Naar de dood. Daar zou ik een mooie metafoor van kunnen maken. Maar zoals ik al zei, heb ik daar helemaal geen zin in.

 

Oktober. We moesten er vroeger of later aan geloven. Dampende thee, snotbevroren bovenlip, kriebeldas en paraplu die je steeds kwijt raakt, want dat is wat er nu eenmaal gebeurt met paraplu’s. Altijd onderweg, terwijl de regen met bakken uit de hemel pleurt. Omdat we nu eenmaal in Nederland wonen. En ach, die regen. Dick Advocaat zei er laatst dit over: “Als het hier regent, regent het anders dan in ieder ander land.” En zo is het maar net, Dickie.

Zo is het maar net.

druppels

Het is crisis, en het is herfst. De bladeren vallen, de Mexicaanse griep vreet zich een weg door onze weerstand, en veroordeelde pedofielen drukken de snor. Marco Borsato gaat met zijn bedrijfje de bietenbrug op, en in de tweede kamer wordt de begroting door de gehaktmolen getrokken. Het zal Heleen van Rooijen allemaal een worst wezen. Die heeft, alsof er niks aan de hand is, gewoon een nieuw kutboek geschreven. Ik ben de titel vergeten, maar er zal wel weer een boel in geneukt worden, op hele ondeugende plaatsen. Dat is het maffe van schrijvers als Heleen en Kluun. Die denken dat wij graag lezen over hoe zij zich met hun zwetende 40-pluslijven bovenop willekeurig jong neukvlees hijsen, ondertussen mijmerend over ingewikkelde dingen als vrijheid en de dood. Mensen met teveel huid, die weer eens een nietsvermoedend jong blaadje te grazen nemen in een bibliotheekcabine, terwijl ze eigenlijk getrouwd zijn en kanker hebben. Of pleinvrees. Of een verleden van seksueel misbruik. Deze schrijvers hebben nog gelijk ook, want Heleen is vanuit het niets op 1 gekomen.  Ook Kluun en Suzan Smit hebben over verkoopcijfers geen klagen. Nu schrijft laatstgenoemde niet bijzonder vaak over seks, maar dit compenseert ze dan weer door gewoon een nogal vervelende vrouw te zijn.

Binnenkort komt de nieuwe Dan Brown uit. Het zal mij benieuwen in wat voor mallotig eeuwenoud complot Robert Langdon deze keer weer stomtoevallig verzeild raakt. Geneukt wordt er waarschijnlijk niet, maar daar hebben de personages ook helemaal geen tijd voor, dankzij al dat gehannes met schilderijen, puzzels, geheime deuren, vrienden met een dubbele agenda en cliffhangers aan het eind van ieder hoofdstuk. Gelukkig blijkt het aan het begin van de volgende passage steevast mee te vallen. Dat scheelt dan weer.

 

Nederland leest graag kutboeken. Dat is heel normaal. Nederland luistert namelijk ook het liefst naar kutmuziek. Niks nieuws. Het is een soort gouden regel dat in iedere kunststroming de wansmaak overheerst. De mainstream dicteert, en soms zit daar ineens per ongeluk iets goeds bij. Daar staan we dan niet te lang bij stil, want voor je het weet krijg je nog hoop.

Als muzikant, schrijver of acteur weet je dit natuurlijk, en doe je er al dan niet je voordeel mee. Neem bijvoorbeeld Nicholas Cage. Tien jaar geleden stopte de beste man met acteren, en sindsdien draaft hij een paar keer per jaar met zijn huilerige hondenkop tussen kogelregens en explosies door. In wat voor stakkerige plotje hij nou weer verzeild is geraakt interesseert hem geen biet. Aliens? Prima. Gedaanteverwisseling? Ook best. Met een gezicht als een druipkaars meesmuilt hij wat zinnetjes van een lettergreep of drie, en hop, daar is de volgende knokscène alweer. Ondertussen stromen de flappen binnen, en hoeft Nic zich over crises geen zorgen te maken. Nic zou dertig keer de Entertainment Group van Borsato kunnen overnemen, als hij zin had om ervoor z’n bed uit te komen. Kijk. Daar hoef je bij de gemiddelde integere kunstenaar niet voor aan te kloppen. Die komt ook zijn bed niet uit, maar dat heeft niks met teveel geld te maken.

 

Het is Crisis, en het is herfst. Genoeg redenen om bang en een beetje verdrietig te zijn. Er is namelijk van alles niet zoals we dachten dat het zou zijn, en om ons heen wordt dat verval nog visueel geïllustreerd ook. Daar krijg je hoofdpijn van. En mistflarden in je hoofd. Over die flarden zou je best een mooi gedicht kunnen schrijven. Of een boek. Of een mistroostig liedje. Maar ja, geen hond die het horen wil. Geen mens die naar de druppels op de ruit kijkt en denkt: laat ik m’n humeur eens lekker de genadeklap geven met een uitzichtloos gedicht. Of een lied over pijn. Pijn en spijt.

Nee, feest willen we! Er moet gestampt, geschreeuwd, geknuffeld, nee, geneukt! We poetsen de druppels weg met de columns van Kluun, de raadsels van Dan en de werkseks van Heleen! We dansen de nacht in en drinken de ochtend weg met Fristi! En als het misgaat is Nic er om de brand te blussen.

Zo simpel kan het zijn. Moet het zijn. Geen lastige vragen. Geen stille wateren. Laat staan diepe gronden. We willen zoet en lawaaierig. We willen naakt en dom. Want het is crisis. En het is herfst.

 

 

Thoms en Wolters

Radiohead wil geen nieuwe CD meer maken. Zanger Thom Yorke wordt mismoedig van het groepsproces. Dat is geen verwonderlijk nieuws, eigenlijk, want Thom Yorke wordt overal mismoedig van. Thom Yorke is de enige man op aarde die met gemengde gevoelens een gevulde koek eet. De enige man die een zeventigduizend-koppig publiek zijn liedjes hoort meezingen, en denkt: “wat zijn ze dom!”

Dat zul je bij, om eens iemand te noemen, Wolter Kroes niet hebben. Die ziet zijn toehoorders massaal van links naar rechts zwaaien en “Sjalalalala Sjalalalala Oewowoeowoeowoe!” mee schreeuwen, en voelt alleen maar een dankbare warme gloed vanuit zijn tenen naar zijn vlezige hoofd trekken. “Ik bof maar”, zie je hem denken, en verdomme, hij heeft nog gelijk ook.

 

Je kunt van Wolter Kroes veel beweren, maar verkeerd begrepen wordt hij nooit. We weten allemaal wat we aan Wolter hebben, omdat Wolter het duidelijk communiceert. In zijn onvolprezen hit Ik heb de hele nacht liggen dromen laat hij er in de eerste twintig seconden geen gras over groeien:

“Ik heb de hele nacht liggen dromen!
Van je stem, van je mond,
Van je lijf, van je kont,
en de dekens op de grond!”

Dat lijkt me een helder verhaal. Wolter noemt er nog net geen naam bij, maar dat komt omdat hij zelf ook wel begrijpt dat daar gesodemieter van komt. Wolter lijkt me niet de man die van gesodemieter houdt. Wel van een broodje haring, en dan daarna heel hard roepen: “Vis moet zwemmen!”  Zoiets.

Thom Yorke houdt niet van een broodje haring. Haring wordt op onmenselijke wijze gevangen, gekweekt, gemarteld en van zijn eigenwaarde ontdaan. Wie de moeite neemt een haring in de ogen te kijken ziet een bloedrode zee van wanhoop en verdriet. Dat blieft Thom niet op zijn broodje. Zeker niet met uitjes erbij.

Een vriend van me zei laatst dat Thom zich niet zo moest aanstellen met zijn liedjes. Dat er ook gewoon dagen zijn dat de zon schijnt, en dat Thom dan ook gewoon in de zon ligt te pilzen. Hij heeft duidelijk nog nooit goed naar Thom gekeken. Pilzen, wellicht, maar in de zon liggen: geen sprake van! Ik denk dat Thom de zon alleen associeert met huidkanker en vergeelde menukaarten in afglijdende Oostbloklanden. Hij blijft liever binnen, om met zijn hoofd in zijn handen mistroostig naar een onbespoten wratmeloen te gaan zitten kijken.

De wereld is vol van Thoms. En van Wolters. Wolters houden zich doorgaans bezig met zaken die er werkelijk toe doen, zoals lekker eten, geld en koud bier. Thoms zien dat van een afstandje afgunstig aan. Zouden ook zo graag een Wolter zijn. Omdat ze ook wel snappen dat een Wolter zijn niks te maken heeft met gebrek aan verstand, maar met het vermogen dit verstand op nul te zetten.

 

Ach, waren we allemaal maar Wolters. Lagen we allemaal maar heel de nacht te dromen van eender wiens mond, lijf en kont. Maar zo zijn de kaarten niet geschud. Ik ben een Thom. U bent ook een Thom. Wij kunnen de maalstromen in ons hoofd nauwlijks afremmen, en mekkeren hier hele weblogs over vol. Of schrijven mineurige muziek. En af en toe treffen we een Wolter in de kroeg, die zich hardop afvraagt waar we toch steeds zo moeilijk over doen.

“Ach Wolter,” zeggen we dan,  “het is zoals Thom Yorke ooit zong: “We're rotten fruit. We're damaged goods. We’re backdrifters...“”

En Wolter zal zijn hoofd schudden en glimlachend zeggen: “Daar snap ik geen jota van, jongens.”

En wij zullen zuchten: “Wij ook niet Wolter. Wij ook niet.”

onder het tapijt

Mijn mond plakt en smaakt alsof ik vannacht op een dode bunzing heb liggen kauwen. De wereld suist een beetje. Ik til het tapijt op en wat ligt daar? Mijn kater van gisteren! Even afstoffen en hij is weer zo goed als nieuw. Daar ga ik nog de hele dag plezier van hebben.

 

Katers wegdrinken is een slecht idee. Je dicht het ene gat met het andere, maar iets oplossen doet het niet. Het gat wordt hooguit dieper, zwarter, en rafelig aan de randjes.  Op het moment van schrijven lig ik met mijn laptop onder een klamme deken, en staan mijn grote vrienden Pijn en Spijt aan het voeteneind van m’n bed naar me te grijnzen. Ik herinner me vaagweg de uitspraak “voor mij geen bier vandaag”, waarbij ik een fles witte wijn ontkurkte. Ergens tussen dat moment en het hier & nu heb ik mijn heldere geest ingeruild voor een prop groezelige watten, en nu pluk ik de zure vruchten. Maar ach, het is tenminste zomer.

Is het zomer? De felgekleurde “peace”-vlag van mijn overburen hangt zeiknat aan het balkon. Veel vrede straalt hij niet uit. Af en toe trek er een koude vlaag door mijn slaapkamer. Doe dan de ramen dicht, zou je zeggen, maar dan ruik ik mijn eigen aura ineens weer, en daar wordt een katerig mens niet vrolijk van. Het is kutweer buiten, zoveel is zeker, en verandering lijkt niet op komst. Dat was in Spanje wel anders. Twee weken geleden liep ik nog door een zonovergoten Valencia, waar de mussen dood en beetgaar van het dak donderden. Er waren zwembaden, sinaasappels, cocktails, een zwemband met een bekerhouder, een rustieke vallei en ik geloof dat ik ook een boek heb gelezen. Ach, Spanje. Zelfs de wespen waren er gastvrij. En alles, van supermarktwaren tot diners in ambachtelijke restaurants, alles werd tegen symbolische prijsjes lachend voor je klaargemaakt, ingepakt of afgesneden. In Spanje houdt iedereen van het leven, en het leven houdt van iedereen.  Soms denk ik dat ik Spanje zelf bedacht heb.

 

Ik poets mijn tanden en drink koffie. Het een maakt het ander niet lekkerder, en vice versa. Ik kijk naar de regen buiten en wou dat ik iets concreters had om over te zeuren. In de stad woekert het Festival van het Levenslied. Daar zou ik natuurlijk heen kunnen gaan. Een beetje tussen de met goud behangen witte paplijven een broodje beenham naar binnen proppen. Zwaaien naar Renee Schuurmans die “laat de zon in je hart” playbackt. Er ís geen zon. En de meeste mensen om mij heen hebben al genoeg aan hun vettige hartkleppen en bloedproppen. Die hoeven daar echt de zon niet nog eens bij te hebben. Ja, ik zou de stad in kunnen gaan. Ik zou mezelf lekker kunnen opwinden, de aandacht afleiden van mijn ruisende hoofd, en voor ik weet zou de dag voorbij zijn. De tijd vliegt als je je kapot ergert.

 

Ik pak mijn fiets, prop mijn I-pod-plugjes in m’n oren en fiets zonder er over na te denken met een grote boog om het centrum heen. Niks Festival van het Levenslied. Niks lelijke mensen en vies bier. Al die irritatie lijkt me ineens veel te veel van het goeie. Hoe kwam ik erbij? Ik heb daar helemaal geen zin in. Ik heb zin om garnalen te kopen. Dan zie ik thuis wel weer wat ik daarmee doe. Broodjes beenham zijn overschat, en hebben meestal niks met beenham te maken. Nee, verregende zondagen moeten niet in het teken staan van chagrijn, maar van rust. Rust en meergranenkoeken. Ik sla rechtsaf, de polder in. Ik fiets langzaam en luister naar nummers die allemaal in het teken staan van hetzelfde, en dat is prima. Het miezert. Ik doe mijn jas uit.

 

Je kater wegdrinken is een slecht idee. Het ene gat met het andere dichten maakt de gaten dieper, en witte wijn haalt rode wijn uit je kleren, maar de herrie niet uit je hoofd. Zondagen zijn er om te verregenen, zomer of niet. En of je de nacht ervoor nu te diep in het glaasje, of te diep in iemands ogen hebt gekeken; de zooi die je de volgende ochtend onder het tapijt aantreft, heb je er zelf onder geveegd. Eventjes afstoffen en het is weer zo goed als nieuw. Daar ga je, met een beetje pech, nog een heel leven plezier van hebben.

geert en de vrijheid

Ik heb Geert Wilders nooit als een bedreiging gezien. Dat gun ik hem niet. Ook heb ik nooit over hem willen schrijven, want mijn zendtijd gun ik hem nog minder. Daarbij koester ik de stille hoop dat er zich onder mijn lezers geen PVV-stemmers bevinden. Misschien is die hoop meer ijdel dan stil. Ik weet het niet.

 

Gisteren heeft Wilders betoogd dat alle zich misdragende moslims uit Europa geknikkerd moeten worden. Ik dacht dat Wilders niet in Europa geloofde, maar dat had ik mis. Wilders gelooft sóms in Europa, met name als het zich leent voor het grootschalig bruine mensen uitprocederen. Op dat moment is er ineens die eenheid die hij zo verfoeit, en zijn er ineens grenzen. Grenzen waar we die moslims dus buiten kunnen gooien. Grenzen die vervolgens dicht kunnen. Geert vindt dichte grenzen het mooiste wat er is. De aanblik van een dichte grens, en dat hij dan aan de ene kant staat, die dot glaswol op zijn dikke kop wuivend in de avondwind, en aan de andere kant moslims met honger en spijt; daar krijgt Geert goeie zin van.

Nu zult u misschien denken dat er hier iets scheef zit. Dat je niet enerzijds Europa kunt ontkennen, en anderzijds kunt pleiten voor het gezamenlijk afvoeren van mensen die in Allah geloven. Dat heeft u mis. Ziet u, problemen zijn niet gecompliceerd. Het ingewikkeld maken van dit soort kwesties is iets van de linkse kerk. En de linkse kerk, daar wilt u niet bij horen. Daar wilt u niet mee over straat. U moet begrijpen, het feit dat er op dit moment op iedere straathoek van Nederland vijf moslims met bommengordels omgebonden staan te wachten tot u en uw kinderen nietsvermoedend voorbij komen; dat is de schuld van de linkse kerk. De PvdA in het bijzonder. Die rooie smeerkezen hebben twee decennia lang achter uw en mijn rug stiekem wraakzuchtige moslims ons land binnen lopen sluizen. Die hebben ze vervolgens in onze mooie huizen gestopt en via het kattenluikje haat en wrok gevoerd, net zo lang tot onze hele maatschappij door en door verziekt was. Dat vind de linkse kerk leuk. En wij, arme drommels, wij hadden niks in de gaten, totdat Geert kwam. Geert zag het wel, en was dapper genoeg om deze charlatans openlijk aan het kruis te nagelen.

Geert betaalt een hoge tol voor onze vrijheid, dat moet u wel weten. Geert heeft geen moment rust. Laat staan privacy. En morgen is Geert misschien wel dood. Kunnen mooi die oude “de kogel kwam van links”-spandoeken weer van zolder.

 

Het mooiste aan het hele Geert Wilders-verhaal, is dat hij zijn partij de Partij voor de Vrijheid genoemd heeft.  Even daargelaten dat het gek is dat hij op PVV is uitgekomen, en niet op PV of PvdV, en dat je toch zou mogen verwachten dat hij correcte toepassing van de Nederlandse taal boven alles verkiest, is het natuurlijk ironie ten top. Partij voor de vrijheid. Mensen buiten flikkeren, grenzen dicht, boeken verbieden, scholen controleren, kogels door knieschijven jagen, en dan zonder blikken of blozen beweren dat in Nederland de rode vlag vervangen is door de meeuw van de vrijheid. De meeuw: Neerlands meest irritante vogel als symbool voor een ideologie die de democratie op de schop neemt en 60% van de grondwet wil herschrijven. Het is te zot om te bedenken en daarom gebeurt het ook. Mark Twain schreef ooit: “Truth is stranger than fiction, but it is because fiction is obliged to stick to possibilities; Truth isn’t.” Geert heeft het ter hart genomen.

 

Maar goed, zoals ik al zei, heb ik Geert nooit als bedreiging gezien. Zodra hij voor de camera verschijnt met dat gezicht als een frambozenwinegum en dat mallotige accent van hem, krijg ik hoogstens een jeukerig gevoel in mijn nek. Wat ik des te angstaanjagender vind, is de enorme schare Nederlanders die er wel wat in ziet, in deze man. Die daadwerkelijk meent dat de infantilisering van complexe problemen verfrissend werkt. Dat het feit dat links niet terugscheldt een teken is van lafheid, niet van respect of nuance. Deze mensen bestrijken inmiddels zo’n 20% van het electoraat. En van het straatbeeld. Ik zit er naast in de trein. Ik reken er mijn boodschappen bij af. God weet, misschien ben ik er recentelijk wel door geopereerd!

Maar gelukkig lezen ze mijn columns niet. Onder mijn lezers geen sympathisant van het mokkende vrijheidszwijntje. Of wel? Zo ja, dan bij deze een boodschap in de geest van uw geliefde debattechnieken: U bent knettergek! Ik blief u niet! Kssssst! Wegwezen! Opgedonderd! Weg!!!

Ziekenhuiskroniekjes

13:00

De narcose echoot nog wat na achter mijn ogen. De dokter vraagt hoe ik me voel en speciaal voor haar typ ik op het schermpje van mijn telefoon ‘Au. Bah.’ in. Ze knikt en zegt dat ze dat wel snapt. Nogal wiedes. Ze heeft net met een peperdure dunschiller twee chronisch ontstoken varkensmedaillons  uit mijn strot weggesneden; me dunkt dat ze begrijpt wat ik met Au en Bah bedoel.

Ik lig op een klamme kamer, met uitzicht op het voetbalstadion en een handvol bomen, en omgeven door dingen die piepen. Naast me ligt meneer van Os. Meneer van Os verkoop vogels. Vooral papegaaien. Meneer van Os mist zijn papegaaien, en s nachts laat hij scheten. Dat moet kunnen, vind ik. Sanne, in het bed tegenover me, krijgt met het gordijn gesloten een klisma. Ook dat moet kunnen. Om er een beetje bij te horen, kokhals ik een paar keer en gooi er twee liter bloed uit. Aangelengd met water natuurlijk, maar dat hoeven zij niet te weten.

15:00

Ik begin de paracetamol een beetje beu te raken. Paracetamol heb ik thuis ook. Daar poets ik m’n tanden mee. Voor pijnstillers die je in twintigtal voor 80 cent kunt aanschaffen laat ik mijn keel niet aan flarden harken. Ik druk op een rood knopje, want dan komt Kim. Kim is lief en best knap, maar ze kijkt je niet aan als ze met je praat.

‘Kim, de paracetamol doet niks.’playback ik.

‘Hm.’ Kim denkt na, of doet alsof. Misschien is dat wel een zustersprotocol. Als een patiënt van de standaard procedure wil afwijken: altijd even peinzend in de verte turen, met een blik die zegt dat zij dan ook niet voor de gevolgen instaat. ‘Ik heb morfine.’ zegt ze.

En daar komt ze nu mee!

‘Doe maar.’ knik ik, zo nonchalant mogelijk. Kim hoeft niet te weten dat ik van haar houd. Dat zou de pret maar bederven.

19:10

De bezoekers in de kamer komen niet voor mij. Ik heb het mijn sociale omgeving afgeraden, daar ik toch geen woord kan uitbrengen. Een wijs besluit, zo blijkt, want de mistflarden van de morfine fragmenteren de boel nogal. Terwijl de kennissen van Sanne en meneer van Os een onsamenhangend schaduwspel opvoeren, vind ik dat ik gekke vingers heb, en dat het bed heel lekker ligt, en dat Kim en ik samen heel gelukkig zouden zijn, ook al zou ze me nooit aankijken.

23:00

De nachtzuster zegt haar naam en schudt mijn hand, maar ik ben de naam alweer vergeten, want ja, die morfine, en wat een gekke hand eigenlijk. Ze zegt dat ze me om het uur komt wakker maken om water te drinken, en ik knik en murmel iets van prima. Ze glimlacht. Wij worden dikke maatjes, denk ik, en in het bed naast me roept meneer van Os iets onverstaanbaars. Ik vraag me af waarom nog niemand een papegaaienballon voor hem gekocht heeft. Er staat wel een beertje met ‘get well soon’ op zijn pluizige buikje, maar het lijkt me niet dat meneer van Os het een zak interesseert wat dat beertje er allemaal van vindt.

In het bed tegenover me slaapt en sms’t Sanne beurtelings, en verdomd, ook zij heeft zo’n beertje. Dat verandert de zaken. Nu wil ik ook een beertje, maar ja: heb mijn eigen glazen ingegooid door iedereen van het bezoekuur te weren.  Daar pluk ik nu de zure vruchten van. Ik vraag me af of ik al geslapen heb. Ik vraag me ook af waarom het in ziekenhuizen altijd naar leverworst ruikt. Zelfs ’s nachts.

De nacht kabbelt voort als een onregelmatige hartslag. Pas nadat ik de zon heb zien opkomen val ik in slaap. Een korte, onrustige slaap met een collage van dromen die geen vaste vorm willen aannemen.

08:45

Ik kleed me aan. Meneer van Os zit rechtop in bed vrolijk en uitsluitend in clichés  te praten. Sanne en hij krijgen ontbijt. Ik krijg een bakje yoghurt, als pesterige prelude op wat de komende dagen mijn dieet zal zijn. Terwijl mijn infuus verwijderd wordt denk ik aan een bord spaghetti. Heeft er iemand ooit net zo veel zin gehad in spaghetti als ik nu?

Onderweg naar de uitgang schud ik een paar handen. Men wenst me succes en vergeet me op slag, en dat lijkt me wel zo handig. Ze hebben het natuurlijk druk genoeg met het opsporen van de grappenmaker die een leverworst in de ventilatiekoker verstopt heeft.

 

Wat duizelig loop ik naar de auto van mijn vader. De zon wordt langzaam ingesloten door wolken, en ik bedenk me ineens dat Kim me één keer heeft aangekeken.

Toen ze een injectienaald in mijn bil stak.

Dommer

In Egypte steken ze al hun varkens in de fik. Dat moet van de regering. Er heerst immers varkensgriep, en voorkomen is beter dan genezen, denken de Egyptische autoriteiten. De varkensgriep heeft niks met varkens te maken. Er is op de hele wereld geen varken dat die ziekte ooit gehad heeft. Er zijn wel een heleboel Egyptische varkensboeren, en die hebben straks geen varkens meer. Die gaan dood. Van de honger. Niet aan de varkensgriep.

Even voor de duidelijkheid: we hebben het hier over hetzelfde volk dat duizenden jaren geleden de pyramides bouwde! Een slim clubje, die oude Egyptenaren, heel erg slim, want ze werkten met wetenschap die honderden jaren later opnieuw moest worden uitgevonden! De nieuwe generatie heeft daar helemaal geen tijd voor. Die hebben het veel te druk met duizenden beesten de strot afsnijden omdat er een ziekte naar ze vernoemd is. De vraag of we steeds slimmer of steeds dommer worden dringt zich wel een beetje op. Evenals het akelige antwoord.

 

Met streng gelovigen heb je hier niet zoveel last van, meestal. Die blijven eeuw na eeuw even dom. Of even slim, dat hangt maar helemaal van je perspectief af.  Zo las ik een paar dagen terug in de krant, en ik citeer: “In Apeldoorn zijn zondag zo’n tien kerkdiensten en bijeenkomsten verstoord door een Duitse sekte. Volgens de sekte is de christelijke gemeente verantwoordelijk voor de aanslag op koninginnendag. De daad van Karst T. zou een straf van God zijn.”

Ja, daar kon je op wachten. Er hoeven ergens maar een paar onschuldige dooien te vallen of een horde Christenen grijpt de verwarring aan om over de rug van de overledenen verdoemenis te prediken. Nu dit weer. Een werkeloze malloot rijdt met honderd kilometer per uur op een feestende massa in en meteen staan er weer een stel idioten met kruizen en wijwater te zwaaien. God heeft ons gestraft! Laat dit een les zijn! Als Andries Knevel niet openlijk had getwijfeld aan dat zes-dagen-verhaal; als Arie Boomsma niet met zijn blote navel in de Linda was gaan staan; als Paul de Leeuw niet de TV-moment-van-het-jaar-prijs had gewonnen; dan was dit allemaal niet gebeurd! Maar nee, wij moesten zo nodig Gods woord in twijfel trekken, en ja, daar komt natuurlijk hommeles van.

Geen grotere lijkenpikkers dan die-hard Christenen. Er vindt een dodelijke ramp plaats en de lijken zijn nog niet koud of er wordt alweer een “straf van God” geclaimd. In totale willekeur. Ja, zo kan ik het ook! Thuis een beetje op mijn luie reet zitten, en als er dan onverhoopt iets gebeurt waar ik zelf geen flikker mee te maken heb naar buiten rennen en schreeuwen dat het allemaal de schuld van wie dan ook is, en dat de mensen maar beter naar mij hadden moeten luisteren. En dat noemen ze dan “geloof praktiseren”. Ik vind het makkelijk scoren. Als die Christensekte ook maar een beetje daadkracht had, deden ze zelf tenminste nog een duit in ’t zakje, maar bij deze lamstralen kan er zelfs geen fatsoenlijke aanslag vanaf. Dat ze voortaan een voorbeeld moge nemen aan hun Moslimbroeders. Die steken tenminste de handjes uit de mouwen.

 

Je kunt echter zeggen wat je wil: consequent zijn ze wel; gelovigen. Die haalden vijf eeuwen geleden niet minder malle fratsen uit dan nu.  Toen moesten er ook om de haverklap een boel mensen dood, verbannen of gehersenspoeld, en de illusie dat we daar iets aan kunnen veranderen is er eigenlijk nooit echt geweest. Wel zo duidelijk. Nee, dan die Egyptenaren. Of de bedenkers van de Jamba ringtones. Of de mensen die ze aanschaffen. Of de vrouwen die dagelijks achter een lichtgevend katheter in Take me out gaan staan. Of de 20% procent van Nederland die denkt dat het wel een goed idee is een rascist met een coupe soleil als premier te installeren… Het stemt allemaal behoorlijk mismoedig, en doet je afvragen wat de generatie na ons allemaal in petto heeft voor de nuchtere burgerman. Ik hou m’n hart vast, en mijn eventuele varkens in de schuur.

 

het einde der tijden

De varkensgriep is nu te volgen via Google Maps, las ik zojuist. Als dat niet leuk is! Lekker thuis vanuit je luie stoel de dood dichterbij zien kruipen, jezelf ondertussen een ongeluk slikkend aan vitamine C-tabletten en levertraan. Deuren op slot, ramen dicht, lamellen naar beneden, internet aan, en gezellig samen kijken hoeveel dooien er inmiddels in Spanje zijn gevallen!

De varkensgriep is een hit. De zoveelste. Het begint er zelfs op te lijken dat we dit jaar komkommertijd maar gaan overslaan. We hollen van de ene panieksituatie naar de andere, en tussendoor moeten we ook nog tijd maken om koninginnendag te vieren en naar het gebral van Louis van Gaal te luisteren.

 

Persoonlijk denk ik dat het zo’n vaart niet zal lopen met die hele pandemie. Het is altijd hetzelfde. Er breekt ergens een gemuteerd virus uit, heel de wereld raakt in rep en roer, Europa gooit alle grenzen dicht en smijt en passant wat nietsvermoedende zwervers in quarantaine, en uiteindelijk gaat de hele zaak aan Nederland voorbij. Of sterft er een tiental oude vrouwtjes. Niks aan het handje. Het zijn altijd oude vrouwtjes die proberen voor te dringen bij het instappen van de trein. Daar bedoel ik niks mee, maar toch, laten we het niet vergeten.

 

Gisteren was ik bij vriend J. Ik schreef vrij recent nog over mijn hypochondrie, maar dat is niks vergeleken bij vriend J’s apocalyptische doemdenkerij. Sinds ik hem ken (een jaar of dertien) heeft hij al een goeie vijf keer handenwrijvend het einde der tijden afgekondigd. Daar is meestal niet zo heel veel voor nodig. Een aanslag, een virusuitbraak, het smelten van de poolkappen, een uit de dierentuin ontsnapt gordeldier, een omgevallen gieter; de vernietiging van de wereld of op zijn minst de mensheid is altijd nabij! Vriend J houdt wel van een beetje drama. Ik ook, ik verdien er zelfs mijn brood mee, maar met massahysterie heb ik het eerlijk gezegd eventjes gehad. We zitten verdomme middenin een crisis waar ik niks van merk, nu dan dat biggenvirus, en ik ben nog amper bekomen van de verloren kwartfinale tegen Rusland! Ik vind het mooi geweest. De zomer is in aantocht. Een zwik nationale feestdagen staat voor de deur. Het ruikt naar gras en witbier buiten. Er zijn rokjes links en rechts, en verdomme, ze waaien net zo mooi op als vorig jaar! En het jaar daarvoor. En in het boek van Oek de Jong. Dus ik stel een nieuwe manier voor om de varkensgriep aan te pakken: we zwijgen hem dood. We negeren hem. Doen net alsof hij niet bestaat. Kijken of ‘ie daar van terug heeft. Ik durf te wedden dat het binnen de kortste keren afgelopen is met die aanstellerige verspreiding! Fuck de hysterie; leve de komkommertijd! En als dat aanslaat passen we het ook toe op de crisis. En terrorisme. Werkte op de middelbare school ook prima.

En als ze de boodschap dan nog niet begrijpen, wachten we ze alledrie na school op, en trappen we ze van hun fiets. En jatten we hun lunchgeld. Kijken wie er dan nog een grote bek heeft.

 

Wie doet er mee?

wit en dik

Hoewel een vunzige regenbui het buiten krampachtig probeert te ontkennen, is het toch beslist al een paar dagen lente. Het kan u niet ontgaan zijn. Zodra er een paar aarzelende zonnestraaltjes door het wolkendek priemen, holt heel binnenzittend Nederland in paniek de straat op, om druk te flaneren met nieuwe zonnebrillen, vestjes en kekke hoedjes. Als dan vijf minuten later het hemelwater zich weer naar beneden stort zoekt men wanhopig een heenkomen in kroegen en eetcafés, waar goddank nog een doos jägermeister de winter overleefd heeft. Het is ook altijd hetzelfde gesodemieter. En omdat we te eigenwijs zijn ons voordeel te doen met spreekwoorden als “maart roert zijn staart”, zal het ook nooit anders worden.

 

Toch, je ruikt het. En je proeft het in de lucht. De lente is er, en ze mag zich dan weer vanouds als een verpest miljonairsdochtertje gedragen, ik ben er verdomme blij mee. Ik heb haar gemist. Ach, de lente...  Je ziet het aan de gezichten op straat. Je hoort het in het hysterische gekwinkeleer van de vogeltjes  die het ook allemaal niet meer weten. Je voelt het! Of het nou een schoorvoetend herstel van geloof in de liefde is, of de zin om rauwe lappen vlees op een zwart geblakerd rooster te gooien tegen de achtergrond van een klaptafel vol cocktailsaus; ze is er weer, de lente, en ze mag gevierd worden!

Maar ho. Zo simpel liggen de zaken niet. Voordat we met z’n allen baltsend op een terrasje aan een lauwwarm witbiertje gaan zitten nippen, moet er flink wat vertimmerd worden. Aan het lichaam, welteverstaan. Van vijf maanden kou krijg je immers trek, en bovendien heb je de feestdagen (in- of exclusief carnaval), waarbij we ons plichtmatig hebben volgeschrokt met in hun eigen vet badende dode dieren. En snoep. Daarbij is er in de winter flink wat verdriet en eenzaamheid weg te eten. Allengs zijn onze jonge, pezige twintigerlichamen uitgedijd tot lillende welvaartsproporties, en dan komt dat lekkere weer toch altijd een beetje als donderslag bij heldere hemel. Toch nog dat zwaard van Damokles in uw spekkige nek. Wat een ellende. Ik heb daar geen last van, trouwens, ik kom uit een broodmager nest, dus mij interesseert het geen fuck, maar de rest van Nederland jammert er jaarlijks hele weblogs over vol, dus dan zal het wel.

En inderdaad. Getuige de volle zalen in mijn vaste sportschool is het waar. Hordes zwetende, zuchtende, steunende en veel te veel water drinkende terraszitters in spé. Ze bestijgen de loopbanden, roeiapparaten en ligfietsen, in de hoop die lentekriebels ergens in Mei om te kunnen zetten in daden. Als het meezit. Ik kijk daar altijd een beetje verwonderd naar, vanonder mijn haltertjes, want ik sport juist om een beetje massa te krijgen. Hoe walgelijk dit ook moge klinken, gelooft u mij, zonder een beetje krachttraining heeft mijn schouderpartij dezelfde breedte als mijn hoofd. En mijn hoofd is smal.

 

Hoe dan ook, die toekomstige zonneschijn laat zich niet tegenhouden. En ondertussen tikt de klok. De lente sluipt steeds kleiner wordende cirkeltjes om ons heen, sadistisch grinnikend. En al dat gezweet, gedraaf, gezucht en ge-zonnebank komt natuurlijk veel en veel te laat. In mei zitten we allemaal op hetzelfde terras. Allemaal te dun of te dik, allemaal te bleek of te bruin (omdat je van de weeromstuit een hele nacht onder de zonnebank bent blijven liggen), en allemaal wanhopig op zoek naar een verwante ziel om de buikvlinders op te botvieren. Om er vervolgens opgelucht achter te komen dat die haar bikinilijn niet bijgewerkt heeft. En zo hoort het ook, in de lente.

magere hein

Deze keer kwam ik toch echt goed voorbereid voor de dag. Met twee verdachte moedervlekken en een maand lang chronische hoofdpijn leek ik geramd te zitten, maar al na een half uur stond ik onverrichter zake buiten de praktijk van mijn huisarts. Alweer geen kanker.

 

Ik ben een klassieke hypochonder. Iedere dag ontdek ik wel weer een nieuwe terminale ziekte waarvan ik alle symptomen in overvloede bezit, bij voorkeur met een pijnlijk ziekbed en schuim oprochelend einde in het verschiet. Wie een beetje handig met Google omspringt kan ieder kwaaltje in een handomdraai vergroten tot vraatzuchtige tumor, en bovendien zijn er ziekenhuisseries. Hartstikke leerzaam, want tweewekelijks leert dokter House ons weer een ziekte bij waar we nog nooit van gehoord hadden. De één nog onsmakelijker dan de andere. En we kunnen het allemaal in een wip oplopen, bijvoorbeeld door het inademen van autogassen, het aanraken van een bepaalde plant of gewoon van een milkshake. De paniekzaaier in mij had het nog nooit zo ruim voor het kiezen. Mezelf troostend met de gedachte dat Nietzsche er ook wat van kon sla ik mezelf door mijn dagelijkse routine heen, maar makkelijk is anders.

 

Er zijn heel veel mensen die het niet erg vinden om dood te gaan. Of althans, ze hebben zich erbij neergelegd dat er nou eenmaal niks aan te doen is, en leven vrolijk hun zorgeloos bestaan alsof er geen morgen bestaat. Ze gaan naar de Efteling, de Ikea of het spoorwegmuseum, en wanneer magere Hein langskomt, nu ja, dat zien ze dan wel weer. Een lastig hoestje is gewoon een lastig hoestje, hoofdpijn is gewoon hoofdpijn en als ze duizelig zijn gaan ze even liggen, en dan is het zo voorbij. Onuitstaanbare is dat deze mensen doorgaans heel oud worden, ondanks hun doosverachtende levenswandel vol sigaretten, sterke drank en onveilige seks.

 

Nee, dan ik en mijn hypochondrische achterban. In onze krampachtige poging alles te controleren proberen wij wanhopig de dood een stap voor te blijven, met als resultaat dat we zijn koude zeis de godganse dag in onze nek voelen kriebelen. We slikken ons een darminfectie, slapen extra uurtjes tot we zwart zien van de doorligwonden, we zuipen vruchtensap dat het een aard heeft, en komen vaker bij de dokter dan, bijvoorbeeld, op de wc. Bovendien zijn we contant overspannen, vanwege al die terminale kwalen die we steeds te lijf moeten.

Zodoende zat ik dus laatst bij mijn huisarts met die mekkerende hoofdpijn. Migraine, luidde de diagnose. Dat stelde me gerust. Voor een half uurtje. Want wat als die migraine nou eens de aandacht afleidde van iets anders, zoals bijvoorbeeld een gezwel achter mijn ogen, of een gemuteerde vorm van hersenvliesontsteking? Je weet tenslotte nooit of je niet meerdere dingen tegelijk onder de leden hebt (waarschijnlijk wel) die elkaar lafhartig de hand boven het hoofd lopen te houden. Heel vermoeiend allemaal. En tijdrovend bovendien, want kanker, daar kom je niet 1, 2, 3 vanaf.  Dus gauw onder de dekens met een zak chips en maatbeker ibuprofen, hopend op betere tijden. Zoals de zomer.

 

De zomer is immers het beste medicijn. Voor alles. In de zomer is er niks aan het handje. Met een sinaasappeltje per week is ieder kuchje zo uit de wereld geholpen, en anders drink je gewoon een trog sangria leeg, want daar knap je ook stevig van op. Lekker zonder das de straat op, en ongestraft tongzoenen met onbekenden; allemaal geen enkel probleem. Ach, de zomer. Het is een heerlijk seizoen, waarin je nauwelijks hoeft na te denken over nabestaanden, levensverzekeringen, rare bultjes en ademhalingsritmes. Gewoon een luchtig blouseje aan en de terrassen op.

Uiteraard niet te lang, want die zon op je huid is een sluipmoordenaar, en voor je het weet slaan die cellen als idioten aan het delen…

verhuizen

De week is al een tijdje onderweg. Het is een leuke week. Sven Kramer kwam ergens een of andere prijs ophalen waar ‘ie ook nog een paar rondjes voor moest schaatsen, Ajax werd door Vitesse achter het behang geplakt, en tegen de achtergrond van dit strijdtoneel beginnen zich de eerste tekenen van de lente te vertonen. Laat ik me nou voor de verandering eens niet als een optimistische malloot gedragen, het duurt nog wel even, dat weet ik best, maar toch: ik heb de eerste knopjes gezien, en ik word daar verdomme gelukkig van. Voor mijn huis trappen kinderen tegen een voetbal. Namen van idolen sijpelen door mijn raam naar binnen. Er huilt er eentje, maar dat duurt niet lang. Als ik mijn hoofd naar buiten steek voel ik de zon. Een beetje. Het zal me een zorg zijn dat het ’s nachts nog vriest; ’s nachts lig ik in m’n nest of ben ik dronken. Dan kan de vorst hele konijnenkolonies doodvriezen of ontluikende krokusjes de nek omdraaien; ik slaap er geen minuut minder om.

 

Over een week ben ik geen Utrechter meer. Ik verhuis naar het zuiden des lands. Daar kom ik ook vandaan. Ik probeer dit uit te leggen aan mijn boven-rivierse vrienden (en ik heb argumenten van graniet, jazeker), maar helemaal begrijpen doen ze het niet. Brabanders zijn dom, praten gek en drinken heel de dag door bier, dus wat heb ik daar nou godsnaam te zoeken?

Het geeft niet. Ik heb de onverenigbaarheid van deze twee werelden al dik en breed geaccepteerd. Bovendien zit ik graag in de trein. Het komt wel goed, aan welke kant van het water mijn makkers ook wonen.

           Wat me veel minder zint, is het vooruitzicht van een verhuizing. Dat is namelijk heel erg vervelend werk. Het verplaatsen van de inboedel van adres A naar adres B is nog wel te doen, maar niets zo irritant als het in- en uitpakken van spullen. Daar heb je namelijk veel te veel van;  spullen. Bij je vorige verhuizing heb je de helft weg geflikkerd, en op de een of andere manier heb je het gepresteerd in de tussenliggende twee jaar nog meer zooi bij elkaar te verzamelen dan voorheen. En dus moet je weer aan de bak. Grote vuilniszak in het midden van de kamer en sorteren maar. Overbodige administratie: in de zak. Ontvangen briefkaarten en verlopen uitnodigingen: in de zak. Kapotte computerboxjes: in de zak. Verbleekte T-shirts, programma Pinkpop 1999, verbogen flessenopener, een stuiver, kortingsbonnen voor de winter-Efteling (daar zijn ze!), dronken notities voor eerste roman, verroeste paperclip, beschimmelde badeend, voetbalgids 2002, gefossileerd plakje salami, dode hamster: in de zak.

           En dan begint de ellende pas. De grote hoeveelheden zinloze troep die de schifting overleefd hebben moeten in dozen gestopt. Van deze dozen heb je er nooit genoeg. Sommige mensen denken dat de hoeveelheid kubieke meters gemeubileerde ruimte een even grote hoeveelheid kubieke meters zooi oplevert. Dit is niet waar. Eenmaal aan het inpakken geslagen blijkt bijvoorbeeld dat de inhoud van je bescheiden boekenkastje goed is voor minstens drie dozen. Je dvd-verzameling vult er ook al gauw twee. En dan ben je nog niet eens aan je archiefkast, je bureau en je kleding toe gekomen. Reken ook op zeker twee dozen als het aankomt op voorwerpen waarvan je dacht dat je ze kwijt was. Liefdesbrieven, zonnebrillen, horloges, opa’s gouden tientje, de afstandsbediening, de betonschaar; ze liggen allemaal op plekken waar je ze niet had verwacht, maar die natuurlijk volstrekt logisch zijn. In bad. Onder de pianokruk. In de vriezer.

 

Terwijl ik dit schrijf torenen de kartonnen stapels aan weerszijden boven me uit. Het begint donker te worden en ik heb nog drie vierkante meter mappen en papierstapels voor de boeg. Ik heb geen zin meer. Ik kap ermee. Morgen weer een dag. Ik zou op de bank gaan liggen, als die niet volgepakt stond met 2 keer “boeken”, 1 keer “CD’s en magazines”, en drie tassen in de categorie leuk-om-te-bewaren.  Bah.

Hollands zwijntje

Bratislava is een wonderlijke stad in de winter. De pittoreske straatjes zijn vrijwel uitgestorven. De zomerse glimlach is van de gezichten gesmolten, en kortweg vinden de bewoners het helemaal niet leuk dat je er bent. Dat snap ik wel. Ze vinden het waarschijnlijk ook niet leuk dat zijzelf er zijn, en dan is het feit dat jij even met je portemonnee komt zwaaien en daarna weer lekker naar huis gaat behoorlijk onuitstaanbaar. Want als er een ding is dat me hier langzaam duidelijk wordt, is dat het heel vervelend moet zijn om hier te wonen. Of waar dan ook, in Slowakije.

Dat is natuurlijk gek om te zeggen, want een land is een land, en je wordt er nu eenmaal geboren. Ieder land heeft zijn voors en zijn tegens, en sowieso zijn eigen identiteit. Mis! Slowakije is het muurbloempje van het bal. Het verlegen meisje achterin in de klas. De grijze muis die wanhopig achter de feiten aan schuifelt op haar klompvoeten, en wiens vrolijke kindersnoetje langzaam verwringt tot een hele zure zuidvrucht. Mensen in Slowakije zijn niet vrolijk. Zelfs niet in de hoofdstad. Ze slaan de kluwens Chinezen gaande die erop los fotograferen maar niks eten, en zuchten als je je voet over de drempel van hun restaurantje zet. In de zomer willen ze wel aan de bak, dan valt er tenminste grof te verdienen. Maar in de winter hebben ze nergens zin in. Althans, niet in het opdienen van eten voor een frisse knaap uit Holland die zijn rozige welvaartsgezicht volpropt met lokale specialiteiten, want “om de prijs hoeft ‘ie niet te laten”!

Dat snap ik best. Want waar gaat het allemaal heen, met dat gekke kleine Oostbloklandje Slowakije? Ze hebben ineens de euro, doen volop mee met Europa, maar liggen wel erg uit de route als er ergens eens wat leuks te doen is. Bovendien, ga er maar aanstaan, zo’n inhaalspurt. Kleding, muziek, techniek; het holt allemaal vooruit, en wie de trein mist staat voor eeuwig te blauwbekken op het verlaten station. Dus Slowakije doet krampachtig mee. Zo draaien ze bijvoorbeeld hippe muziek. Overal. Of je nou een kop koffie zit te drinken of een leuk, lief kaarslichtdinertje wil; de hitparade jengelt je uit iedere box tegemoet. En dan zal het ze een worst wezen welke artiest waar te horen is. Beyonce, Rihanna en Leona Lewis maken overal de dienst uit. Langs deze muzikale middenweg vind je dan de liftende pubers van Slowakije. Die hebben hippe kleren aan. Allemaal. Niet in specifieke combinaties, maar gewoon een samenraapsel van hier een baggy broek, daar een T-shirt met een pistool erop en allemaal een leuke muts op. De jongens dan. De meisjes kleden zich als dames en kijken boos. Mooi en boos. De jongens hebben een kaalgeschoren kop. Die zijn ook boos. Waarschijnlijk omdat alle meisjes boos zijn, en de jongens dus niet veel meer kunnen dan met hun verschrompelde pielemuis hopen dat er eens een keer eentje ontdooit.

Maar het is niet de schuld van de Slowaken. Het is de schuld van die trein. Die trein die veel en veel te hard rijdt. Veel te hard om erop te springen – je breekt je poten – maar als je het niet doet zul je ergens in een donker, vochtig hoekje verhongeren. Dus doe je mee met de euro, importeer je de hits uit het vadsige Westen, bedien je knarsetandend dat vrolijke Hollandse zwijntje, en vergeet je langzaam wat je land eigenlijk voor land was. Want je verleden heb je moeten laten vallen, toen je op die trein sprong. Veel te zwaar.

Niet dat dit mij allemaal iets interesseert, natuurlijk. Ik wil hier weg. Ze zijn helemaal niet aardig tegen me.

januari

Het is Januari. In Januari ben ik niet op m’n best. Het is dan dat de winter net wat te lang begint te duren. Mensen worden ziek, mensen zijn een beetje moe en er zijn ineens geen feestdagen meer om de boel enigszins op te fleuren. Geen jus-overgoten schranspartijen, geen lange tafels met dronken familieleden en zwijmelige kaarsenpracht. Ook met de sneeuw is het wel weer zo’n beetje afgelopen. In Januari beginnen dingen mij te irriteren. Daar kan ik niet zoveel aan doen. Dingen die ik het hele jaar moeiteloos voor zoete koek geslikt heb zijn ineens onoverkomelijk en irritant.

Zo was ik gisteren boodschappen aan het doen. Dat doe ik het hele jaar door, vrijwel moeiteloos, maar ineens zit me van alles ernstig dwars. Ik ben het bijvoorbeeld helemaal zat met de verpakkingen van de Albert Heijn. Het is dat ze er fijne flessen versgeperste sap verkopen , anders ging ik een straatje om, langs de Super of de Dirk. En het is dat het tijgerbrood echt heel erg vers smaakt, anders kocht ik het niet meer.

Bij de Albert Heijn hebben ze de neiging op de verpakking gedetailleerd uit te leggen wat ik precies aan het kopen ben. Dat vind ik irritant. Ik wéét wat ik aan het kopen ben. Dat is een van de redenen dat ik het koop. En alsof dat niet genoeg is vertellen ze me er ook bij wat ik er van vind. Reuzehandig. Hoef ik dat zelf niet meer uit te maken. Nee, dat doet de AH voor mij. Die melden me dat ik niet zomaar een tijgerbrood gekocht heb, nee, een “ovenheerlijk tijgerbrood”! Het is maar dat ik het weet. Dat ik straks niet op een hap zit te kauwen en denk: “hm. Aardig tijgerbrood.” Of “Ik heb wel eens lekkerder gehad.” Nee, dit is een ovenheerlijk tijgerbrood! Dit is smullen! Dat ik dat maar even goed in m’n oren knoop!

De oplettende lezer is trouwens natuurlijk allang opgevallen dat de nijvere etikettenschrijvers er ook nog een speelse woordgrap tegenaan hebben gegooid. Niet overheerlijk, maar oveNheerlijk. Jazeker. Want bij de Albert Heijn zijn ze lekker gewoon gebleven. Lekker gewoon en soms lekker gek, met soms een grapje tussendoor om het gezellig te houden. Ovenheerlijk. En daar worden dan mensen krankzinnig dik voor betaald, om een paar dagen per week rond een tafel vol met producten te zitten, en dit soort afgrijselijke woordspelingen de ruimte in te slingeren.  Terwijl ik met mijn schrijversvrienden elk dubbeltje omdraai teneinde ergens in 2014 een slecht gelezen kutroman in de winkels te hebben. Het is niet eerlijk, en dan is het buiten nog stervenskoud ook. In die vergaderruimte van de Albert Heijn is het vast lekker warm. En vloeit de gratis single malt whisky rijkelijk, want “sushi moet zwemmen”! Of zoiets.

Wat ik in Januari ook ineens niet leuk meer vind zijn vesten met een capuchon. Heel het jaar lang met veel plezier gedragen, maar ineens vind ik het mateloos irritant dat de capuchon als een soort verfrommelde washand in je nek bungelt. Want door die fijne dikke winterjas kan ‘ie niet hangen, zoals een capuchon hoort te doen. Lekker nonchalant. Lekker gewoon. Over die fijne dikke winterjas gesproken; waarom donderen de knopen van dingen die je in de herfst kocht er altijd in Januari af? Net als je staat te blauwbekken in een of andere polder omdat een stel vrienden zo nodig moest schaatsen.

Nee, in Januari ben ik niet op m’n best. Maar daar ben ik niet alleen in. Eigenlijk is iedereen in Januari een beetje half mens. Zet in ieders hoofd het lange wachten op de lente in. Denken we af en toe ineens een knopje aan een boom, of een ontkiemend krokusje te zien. Dat is niet zo. Dat is maar onze verbeelding. De lente slaap nog. En wij liggen wakker. Ook dat vind ik heel irritant, in Januari.

Mijn foto

Laatste reacties

  • daan Heb je wel eens naar tarnfor
  • ilse "meestal over piemels" :)
  • Ivar Bitterzoete melancholie, dit

november 2009

ma di wo do vr za zo
            1
2 3 4 5 6 7 8
9 10 11 12 13 14 15
16 17 18 19 20 21 22
23 24 25 26 27 28 29
30            
web-log.nl, powered by TypePad