Mijn foto

Laatste berichten

Laatste reacties

  • Y Hey, dat doet denken aan de
  • jan de waard Ha die Lucas, Blij te zien
  • Joost I like..
  • Ivar Hopelijk sta ik op het punt
  • Rinske Leuk! Goed geschrapt ook:).
web-log.nl, powered by TypePad

frietjesdag

Vriend D werkt op een kantoor. Dat heb ik ook wel eens geprobeerd, maar dat bleek een vreselijke vergissing. Wie op kantoor werkt moet zijn bed uit op tijdstippen dat zelfs de meest hyperactieve vogeltjes nog liggen te maffen, en lijmt vervolgens zijn dagactiviteiten aan elkaar met een enorme hoeveelheid niks. De koffie is vies en overal hoor je hoestende printers. Bovendien maakt iedereen heel de dag grapjes, waar bulderend om gelachen wordt, terwijl ze aantoonbaar niet leuk zijn.

Nee, kantoor is niks voor mij. Feit is, dat kantoor eigenlijk voor niemand “iets is”. Kantoormensen lopen doorgaans heel de dag hardop af te tellen. Om vijf uur is het leed immers geleden. Hun lievelingsmoment is vrijdagmiddag, en ’s morgens in de file zitten ze synchroon te mokken in hun leasebakken. Als ze mazzel hebben.

Vriend D vindt het ook niet leuk op kantoor. Gelukkig heeft hij MSN, facebook en aanverwante media, waarop hij heel de dag zijn ongenoegen kan ventileren. Daar ben ik dan weer handig voor, want ik ben een freelancer, en zit dus toch de godganse dag gapend naar een mandarijntje te turen, of jankmuziek te downloaden. De eerste ‘ik wil naar huis’ klinkt meestal zo rond een uur of elf ’s morgens. Dan, zo na het middageten, beginnen de zinloze linkjes, de zelfgeknutselde beeldgrapjes en de onzinnige mededelingen binnen te stromen. Vriend D verveelt zich.

Gelukkig voor vriend D, en vele kantoormensen met hem, is het vrijdag frietjesdag. Op frietjesdag komt alles goed. Niet alleen staat het weekend ongeduldig op de deur te kloppen, maar in de kantine, tijdens de lunch, wordt er friet geserveerd, met snack naar keuze. Van friet kikkert de kantoormens op, om zodoende de laatste loodjes met brede glimlach te lijf te kunnen.

Het roept bij mij herinneringen op aan zwemfeestjes. Vroeger, als je met een kinderfeestje weer eens in het golfslagbad terecht kwam, was er één ding heel erg zeker: straks eten we frietjes! Met gerimpelde vingers van het lauwwarme chloorwater zat je in de kantine van het zwembad, tussen de plastic schildpadden en waterspuwende dolfijnen, en bakje veel te zoute patat leeg te schranzen. Tegen de tegelmuren echoënde kindergilletjes als achtergrondmuziek, en af en toe de lijzige mededeling: ‘Attentie. Over enkele minuten begint het water te golven.’ Mooie dagen. Fijne dagen. Als je in bed lag golfde de wereld na.

 

Zo zie ik de kantoorkantine op frietjesdag ook voor me. Grote borden kapotgezouten friet met kledders vergeelde mayonaise er overheen. Ernaast een mistroostige frikadel op een bedje van fleukjes ui en curry. Ondertussen lachen en schreeuwen de kantoormensen naar elkaar en gooien met propjes. Ze rennen en lachen. Af en toe valt er een. Dan is het huilen, maar na een kus en een beestenpleister van de kantinejuf zijn de tranen alweer droog.

Ach, het kantoor. De koffie mag er smerig zijn, de printers mogen er stikken in hun eigen memo’s, en de grapjes mogen er doodslaan als slecht getapt bier: op vrijdag is het er heerlijk. Vrijdag frietjesdag: een dag om van te houden.

Zondag

Het is zondag in café de Palm. Maar het zou eender welke kroeg of huiskamer kunnen zijn. Het zoemt zachtjes, maar het gonst niet. Er zijn kleine eilandjes van gesprekken en de lucht is doortrokken van rook, thee, winter en het weekend. Ik haatte de zondag, ooit, maar dat is lang geleden. Zondag is mijn nieuwe vriend, mijn trouwe kameraad die me nooit in de steek laat. Je kunt de hele week met je hoofd op de vensterbank liggen kniezen, al je spaargeld in het doucheputje zien verdwijnen, of jezelf een scala aan dodelijk ziektes aanpraten: zondag houdt de wereld even op met draaien. En wat niet draait valt ook niet om.

 

We zoeken naar eenvoud. We hebben de dingen graag simpel, met name omdat ze dat zo zelden zijn. Soms zou ik het prettig vinden als de wereld was zoals in de nummers van bands die ik aanbad toen ik vijftien was. Dat we allemaal in het universum van Limp Bizkit leefden. In dat universum is het leven overzichtelijk en komt een dag in hapklare brokken. Hogepriester Fred Durst zou ons dagelijks herinneren aan de eenduidige pijlers van het bestaan. Fred is altijd woedend. Behalve als hij wil neuken. Dan niet. Dan is hij geil en wil hij aan slipjes ruiken. En soms heeft Fred ook gevoelens, en daar raakt hij dan dusdanig van in de war dat hij ineens denkt dat hij kan zingen. Gelukkig vergeet ‘ie die malle fratsen na 1 nummer alweer, en zet hij het weer op een schreeuwen. Goeie ouwe Fred.

Lang kon ik daar in meegaan. Mee met Fred en zijn tweekleurige palet van emoties. Het was een mooie tijd. Maar zoals dat gaat in de puberjaren, sluipen de schaduwen via de achterdeur toch naar binnen, en voor je het weet zit je met allerlei lastige vraagstukken en innerlijke tweedracht hele dagen lang mistroostig naar een uitgedroogde cactus te turen. Fred kan dan niet meer helpen. Dat gaat Fred boven zijn rooie baseball-petje. Gelukkig was er Linkin Park. De jongens van Linkin Park wisten hoe moeilijk wij het hadden. Dat hadden ze het zelf ook. Daarom droegen ze soms make up, en zongen ze dingen als: ‘if I’m killed by the questions like a cancer, then I’ll be buried in the silence of the answer.’ Heftig knikkend hoorden wij het aan. Zo was het. Zo was het precies! De stilte van het antwoord… De twijfel als kanker. Kanker is reuze erg! Twijfel ook.

 

Maar de wereld verandert, en helden worden mensen. Nu zie ik dat Fred een man van veertig is met driekwart broeken en een kinderachtig sikje. De jongens van Linkin Park maken weliswaar minder huilerige muziek, maar hebben nog steeds hele onduidelijke kapsels. En de wereld is geen potpourri van woede en seks. De wereld is zeven 3D legpuzzels door elkaar. Daar helpt geen nostalgisch gitaargeweld tegen.

Gelukkig is er de zondag. Vacuüm-dag van de week. Niks moet. Alles mag. De dag begint op zijn elf-en-dertigst en komt nooit meer in een hogere versnelling. Er kan bier zijn, er mag Pictionary van stal, of een bord spareribs, maar men mag ook de hele dag in bed. Op zondag ligt de lat niet hoog, maar netjes voor je neus, op de bar. De zondag is veilig en simpel. Op zondag is het universum een liedje van Limp Bizkit. Of Linkin Park, desnoods. Zoals hogepriester Fred Durst het zegt: ‘it’s just one of those days.’

Kerstcolumn

Het is weer eens 25 December. Een datum waarop iedere zelfrespecterende schrijver van leer trekt over de farce die kerstfeest heet. Over de schaamteloze consumptiedrift en gelogen gelukswensen die in het schijnsel van energievretend kunstlicht over ons uitgestort worden. Over lijdende ganzen en kalkoenen, over gebroken familie’s die de schijn ophouden en spuuglelijke kerstdecoratie van de Hema.

Maar ik doe dat niet. Ik doe het niet, want ik hou van kerst. Ik hou van lichtjes en tingel-tangel geluidjes. Ik ben net een baby. Ik hou van de geur van sponzige deeghompen en vettig wildbraad. Ik hou van kerstbomen en door de winterkoude op weg naar een glas glühwein. Ik hou van bordspellen en keurig netjes binnensmonds tongen onder de mistletoe. Ik vind kerst een mooie tijd, en stiekem zijn vreselijk veel mensen dat met mij eens. Behalve zij, en wee hen, die eenzaam zijn met kerst. Die niet.

 

Eenzaamheid met kerst, daar zijn nogal wat liedjes over geschreven. En verhalen. En gammele gedichten. Wie eenzaam is met kerst, wel, die heeft het grondig verkeerd aangepakt. Heeft ergens een vreselijk foute afslag genomen, en zit nu tot aan zijn enkels vast in de blubber van het sociale isolement. In je eentje een bak noodles leeg slobberen, terwijl in andere huizen de knusse feestvreugd de lucht doet zinderen. In je eentje in de vlam van een sfeerkaars turen, terwijl buiten de gelukwensen, liefdesbetuigingen en pluizig verpakte kerstkindjes over elkaar heen buitelen. Dat gun je helemaal niemand. Behalve Robert Jensen misschien.

Eenzaamheid met kerst, dat spreekt al tot de verbeelding sinds de uitvinding van het leedvermaak. In  het dagelijks leven zijn de allenigen al sneu zat, maar met kerst wordt het werkelijk een treurig verhaal. Met kerst is alleen zijn ontzettend niet de bedoeling.

Eigenlijk is er een boel dat er met kerst niet bedoeling is. Niet alleen eenzaamheid is uit den boze; ook in de file staan, een ochtendhumeur hebben, ziek zijn, een ingegroeide teennagel hebben, iemand flink de waarheid zeggen, vroeg naar bed gaan en je sleutels kwijt zijn horen niet bij kerst. Het hele jaar door mag er van alles misgaan, mag het eten aanbranden tot het gitzwart ziet, mag je je enkels verstuiken en je omgeving verrot schelden, maar met kerst moet in ieders hart een lichtje schijnen.

Dat zal allemaal best wel, maar in mijn ervaring wordt dat dappere lichtje toch vooral aangewakkerd door een flinke sloot drank. ‘Gezelligheid krijg je niet cadeau; er moet verdomme gezopen worden!’  lijkt ieder jaar weer het devies. En dat is maar goed ook.  Het kindeke Jezus, die schaamteloos vettige schrokpartijen en ieder jaar dezelfde onvermijdelijke liedjes; daar moet je natuurlijk niet te lang over nadenken. Het kindeke Jezus is door onze heidense samenleving inmiddels toch een beetje ontdaan van zijn charme. Het kindeke Jezus is een huilbaby in een stuntelig kerstspel, opgevoerd door groep zeven van basisschool De Klomp. Het eten is net te gaar en heeft te lang onder het zilverfolie staan wachten, omdat oom Toon zijn trein vertraging had en Risk weer eens uitdraaide op een slijtageslag van 5 uur.

En dan zijn er de liedjes. Ieder jaar zingt George Michael over zijn hart, dat hij vorig jaar per abuis aan de verkeerde persoon gegeven heeft, maar dat overkomt hem geen tweede keer…

Nou, dat zullen we nog wel eens zien George! Tot die tijd: afblussen die hap, en niet nadenken. Vooral niet nadenken.

 

Ach, het kerstgevoel. Kerst is een grote bak heerlijke onzin, net als eenzaamheid. Kerstgevoel is een keuze, en niemand is eenzaam tot hij de hoop opgeeft. Laat dat de stichtelijke boodschap voor dit jaar zijn. Een grote berg kunstlicht en tingel-tangel geluidjes er tegenaan, en schrokken maar! Laat niemand je vertellen dat er iemand naast je hoort te zitten die je hand streelt, laat niemand je wijsmaken dat die mistletoe er niet voor niks hangt, laat niemand je zeggen dat een joggingsbroek geen geschikte kerstoutfit is. Duw jezelf vol met kip en slik het weg met een glas prijzige wijn. De kut-Hema kan de hele wereld behangen met kut-kerstdecoratie: morgen is alles weer hetzelfde. En volgend jaar geeft iedereen zijn hart gewoon weer aan de verkeerde. Net als George.

 

Eenzaamheid met kerst is onzin. Gelukkig maar, want je gunt het niemand.

Behalve dan misschien Robert Jensen.

nee

In Zwitserland heeft de bevolking er een minarettenverbod doorheen gedouwd. Daar moest ik eerst een beetje om lachen. Die gekke Zwitsers. Zitten daar een beetje met hun sneeuw en hun kleffe kaas en hun uitpuilende schatkist vol gejat Jodengeld in de bergen een taalloos volkje te wezen. Op iedere rots staat een fortuin aan afweergeschut, maar alles wat er ooit neergehaald wordt is een verdwaalde meeuw of een iets te enthousiaste schansspringer. En nu dan een minarettenverbod. Gekke Zwitsers.

 

Het minarettenverbod is tot stand gekomen middels een referendum. Voor wie niet weet wat een minaret is: dat is zo’n lange toren bovenop een moskee, waar een paar keer per dag een bak monotoon gejengel uit komt. Hetzelfde irritante principe als de kerkklok, maar dan voor Moslims. Voor wie niet weet wat een referendum is: dat is de domste uitvinding sinds de heksenwaag. Een referendum wil zoveel zeggen als: de politiek heeft een belangrijke beslissing te maken, en laat die vervolgens aan het volk. Het volk mag dan naar de stemhokjes, en daar moeten ze een vakje inkleuren. Ja of nee.

Het volk is gek op Nee. Ongeacht het onderwerp. Nee heeft namelijk veel meer impact dan Ja, en mensen worden nu eenmaal graag gehoord. Bovendien is ongeveer 40% van de bevolking woedend, op van alles en nog wat. Op wat dan ook. Van een keertje lekker Nee zeggen kikkert men dan danig op. Voor wie niet weet waarom het volk doorgaans boos is: wel, dat zit een beetje in ons bloed. Als we klein zijn en we krijgen een zak snoep, dan valt ons als eerste op dat die van ons zusje groter is. Ook al is dat aantoonbaar niet zo. Als we op de middelbare school zitten leren we dat je doorgaans het veiligst bent als je iemand anders het verdomhoekje in werkt.

Uiteindelijk worden we volwassen, en als je volwassen bent dan kost alles geld. Alles. En alles kost teveel. Ook ontdekken we al heel snel dat het geld verdeeld wordt op een manier waar iedereen beter van wordt, behalve wijzelf.  Ons zuurverdiende geld wordt maandelijks in kruiwagens geladen en naar de voordeuren gereden van werkelozen, buitenlanders en subsidie trekkende stinkfreelancers, die heel de dag in bed aan hun pielemuis liggen te sjorren en veel te dure whisky drinken.

Dus al snel vergeten we dat we in een van de rijkste landen ter wereld leven. We vergeten dat er andere kinderen zijn die helemaal nooit een zak snoep krijgen. We duwen iemand in een verdomhoekje en wanen onszelf weer even veilig.

Het volk mag beslissen. Het volk krijgt de keuze. Een heel parlement aan hooggeschoolde politici besluit de domheid vrij spel te geven. Resultaat: een minarettenverbod in Zwitserland. Moskeeën mogen nog wel, want er is ook nog zoiets als de grondwet. Gelukkig voor het volk bleken er nog tal van andere mogelijkheden om de moslimgemeenschap weer eens een flinke hak te zetten. Geen torens meer bouwen: dat zal ze leren, met hun klamme kutgeloof! Volgend jaar pakken we het theehuis aan! Niet te zuipen die troep!

Als ik de moslimgemeenschap in Zwitserland was (wat gek zou zijn, in m’n eentje, maar toch) dan zou ik proberen er ook wat referenda uit te slepen. Ik zou de zogenaamd volbloed Christelijke Zwitsers een vrachtlading NEE’s door de conservatieve strot duwen. Ik zou afdwingen dat ze hun sponzige kaas bij zich houden, dat ze hun sneue voetbalelftal ontbinden en dat ze hun drie gejatte talen teruggeven aan de rechtmatige eigenaars en lekker verder murmelen in dat malle Duitse kutdialect. Als ik tenminste wist hoe een referendum af te dwingen. Maar dat weet volgens mij geen hond. Een referendum is er ineens. Net als jeuk, of een gek knobbeltje in je nek.

 

Het volk houdt van Nee. Nee tegen een drugsopvang, Nee tegen een gevangenis in de buurt, Nee tegen Europa, Nee tegen het Suikerfeest op tv, Nee tegen de dakkapel van de overburen. Behalve in Zwitserland. In Zwitserland zei het merendeel van de bevolking Ja. Ja tegen het minarettenverbod, Ja tegen de zoveelste uiting van angst, Ja tegen apartheid, Ja tegen met twee maten meten.

Ja tegen een wereld waarin gejat Jodengeld gebruikt wordt om de zoveelste hetze te financieren.

 

 

Themafeestjes

Modegril van dit najaar: het themafeestje. Joost mag weten waarom, maar drie van de vijf uitnodigingen voor een feest die ik de afgelopen twee maanden heb ontvangen, werden ontsierd door een onmogelijke dresscode. Waarom? Omdat het toch hartstikke leuk is?! Iedereen duikt de verkleedkist in, komt blauwbekkend de halve stad door gelopen om zich in een overvolle huiskamer te vergelijken met andere genodigden, en zet het als de wiedeweerga op een zuipen om maar niet de hele tijd te beseffen dat men vanavond een stuk fruit is.

Nee, dat is helemaal niet leuk! Dit is wat er gebeurt op de dag van een themafeestje, ergens aan het eind van de middag: je hebt net je dagelijkse plichten tot een eind gebracht, staat in de supermarkt je mandje vol te laden, en ineens schiet het door je hoofd. Godver! Een pakje!

Eenmaal thuis kun je fatsoenlijk koken op je buik schrijven, want de hele garderobe moet binnenstebuiten gekeerd. Veiligheidsspelden, plakband, mascara en andere meuk worden gecombineerd met allengs verknipte gordijnen en goud gespoten schoenen die eigenlijk nog best prima waren, want vanavond zijn we een Arabische prins. Eenmaal aangekomen op het feest zie je meteen dat alle andere gasten hetzelfde probleem hadden. Dit met uitzondering van de organisatie, en natuurlijk die ene malloot die er altijd prachtig uitziet. God weet waar hij het vandaan haalt.

 

Vriend J geeft graag themafeestjes. En als hij ze niet geeft dan geeft hij glorieuze acte de présence, steevast verpletterend goed verkleed. Een week of drie terug stonden ik en vriendin N. Covers weer eens akelig flets af te steken bij zijn rockabilly-outfit. Themafeest op nummer 69. Het was druk, er waren neptattoo’s, er was brylcream en er was geen frisdrank. Vriend J besteeg de trap naar het feestgedruis met een kapotte gitaar op zijn rug, en op zo’n moment weet je: nu kan het pas echt beginnen!

Het zou een feest worden waar ik, vriend J en vriendin N. Covers nog lang over na zouden praten. Er zou gedanst worden, gedronken, op grote schaal getongzoend en het zou de kleine uurtjes van twijfelachtig elan voorzien. De herinneringen zouden als een incomplete legpuzzel uiteindelijk in een hoek verdwijnen. Ik weet niet veel meer. Ik weet nog wel dat ik mijn jas pakte. Het zal rond half vijf geweest zijn.

 

Mooi moment op een themafeest is altijd de entree van vriend T. Vriend T ziet er, ongeacht het thema, eigenlijk altijd uit als een theedoek. Daarbij drinkt hij op feestjes doorgaans dusdanig veel dat zijn outfit gedurende de avond als een soort verleppende plant in elkaar zakt. Het is op dit soort avonden dat de camera het meest van hem houdt.

Als ik dan toch op een themafeest wezen moet, zorg ik meestal dat ik tot het einde blijf. Het is op dat moment, dat de ware aard van je kennissenkring zich openbaart. En dat is verontrustend, op een prachtige manier. Iedereen heeft zich van weeromstuit helemaal vol gegooid met alcohol, en staat wankel ter been een slechte parodie op zijn dagelijkse zelf te wezen. Vooral de vrouwen zijn een lust voor het oog. Die verliezen zich bij dit soort gelegenheden namelijk steevast in het opsteken of touperen van hun haren tot de meest spectaculaire kapsels, en tegen een uur of vier ’s nachts is hier niet veel meer van over dan een soort verregende suikerspin met speldjes. Daarbij grijpen ze doorgaans de verkleedpartij met beide handen aan om eens ouderwets uit te pakken qua benen en decolleté. Weinig pakje, veel huid; dat is de strekking. Maar na anderhalve fles witte wijn gaat de schaarse stof aan het schuiven, en met dat soort aanblikken weten de heren wel weg. Dus, uiteindelijk, mondt het geheel toch gewoon weer uit in een slonzige janboel van te harde muziek, naakt vlees en verschaald bier. En zo hoort het ook.

 

Het zal rond half vijf geweest zijn. Terwijl ik mijn jas aantrok had vriendin N. Covers inmiddels de gitaar van vriend J’s rug te pakken. Ze stond hem aan stukken te slaan tegen de trapleuning. De verregende suikerspin ontnam me bijna, maar nog net niet, het zicht op haar glazige maar gelukzalige blik. Buiten miezerde het. Ik was de laatste om te vertrekken. Themafeestjes: blijf lekker thuis, of blijf tot het einde.

de kunst van Michael Bay

Het is natuurlijk nogal makkelijk een column over Michael Bay te schrijven. Het is denk ik ook al gedaan. Dat moet wel. Iemand die vreselijk slechte films maakt en zich daar niet voor schaamt is meestal rap aan de beurt. Al helemaal als hij niet tegen kritiek kan. Daar houden wij als columnisten van. Mensen die eerst iets volslagen overbodigs maken, dat met veel lawaai in de markt zetten, en vervolgens ontzettend kwaad worden als iemand zegt waar het op staat. Dat het een ontzettende kutfilm is. Of een kutboek. Over Louis van Gaal worden ook heel veel columns geschreven.

 

Voor de duidelijkheid: Michael Bay is de regisseur van Bad Boys, Armageddon en de Transformers-films. En voor nog meer duidelijkheid: Dit is geen veeg-uit-de-pan-column over Michael. Dit is een respectbetuiging. Want laten we eerlijk wezen: de man krijgt het allemaal toch maar mooi voor elkaar. Bay pompt al een jaar of twaalf schaamteloos kruiwagens met geld in zijn wanstaltige filmproducties, en ze worden nog goed bezocht ook. Geld speelt, net als het script, geen rol; de mensen komen iedere keer weer in grote roedels naar de bioscoop gehold.

Het geld is van iemand anders. Van een studio. Die studio geeft het aan Michael, zodat Michael er een veel te lange, krakkemikkige film van kan maken. Ik vraag me af hoe dat gaat. Ik zie een lange tafel voor me, een stuk of wat grijze pakken die waterige koffie nippen, en Michael Bay die staand aan het hoofd schreeuwend zijn nieuwste plan uit de doeken doet. Iets met een komeet. En Russen. En auto’s die door de lucht vliegen. En Megan Fox.

 

Maar goed. Ik heb dus respect voor Bay. En zijn films. En de manier waarop hij in zijn schandelijk dure producties alle regels van het actiegenre door de papierversnipperaar trekt. Actiescènes van Michael Bay hebben geen opbouw. Er begint ergens iemand te schieten, en vervolgens volgt er een twintig minuten durende kogelparade waarin volstrekt onduidelijk is wie er nu eigenlijk wie op de korrel heeft. Het maakt in elk geval een boel herrie. Dit alles gebeurt binnen het kader van een mallotig plotje, over een ploegje vaandeldragers van de VS dat het opneemt tegen eender welke lafhartige vijand. Doorgaans zijn dat Cubanen of Japanners, want die houden niet van Amerika. Bay wel. En daarom heeft hij voor het gemak in zijn omniversum de VN afgeschaft, wat zijn helden in staat stelt hele landen en ambassades aan flarden te knallen. En terwijl het geboefte per strekkende meter de beeldbuis uit vliegt, is altijd ergens nog wel ruimte voor een grap. Meestal over piemels.

Soms komen de schurken uit de ruimte. Het zal Bay eigenlijk worst wezen waar ze vandaan komen, zolang het maar niet Amerika is. Wat dat betreft laat een Bay-film zich eigenlijk bekijken als fitna met ontploffingen. En Megan Fox.

 

Niets dan respect heb ik voor Bay, maar dat had ik al gezegd. Ik heb ook respect voor Yakult. Ik ken helemaal niemand die het drinkt, maar toch vliegt het al tientallen jaren de winkel uit, en heeft het tussendoor ook nog de liquide middelen om Baantjer te sponsoren. En dat terwijl Yakult heel erg vies is. Ik heb ook respect voor Henk Westbroek, Saskia Noort, de PVV, en eigenlijk iedereen die jaar in, jaar uit verbeelding tartende troep maakt, en het toch aan een grote massa gesleten krijgt. Bay echter, gaat zich binnenkort aan remake van een Hitchcock vergrijpen. En dan heb je niet alleen heel veel geld verdiend met prutswerk, maar ook nog eens vreselijk veel lef.

 

Ach, die Michael Bay. Megan Fox vergeleek hem recentelijk met Hitler, en zei over haar ervaringen op de set: ‘Als hij action roept, wil dat zeggen dat ik moet rennen of schreeuwen. Of allebei.’ en ‘Zijn films hebben niks met acteren te maken.’ Daarna ging ze de hoofdrol spelen in een film over een lekker wijf dat, schaars gekleed, haar veroveringen opeet. Eigenlijk heb ik voornamelijk respect voor Megan Fox.

oktober

En dan is het ineens Oktober. Eerlijk is eerlijk: het zat er al een beetje aan te komen. Aan het begin van September rook ik al onraad. Toch, als het dan uiteindelijk zo ver is komt het toch altijd weer een beetje rauw op je dak vallen.

Oktober, laf excuus voor een maand.  Ineens is de nazomer voorbij, en zijn thee en zakdoeken niet aan te slepen. Er worden vermolmde Risk-borden uit het stof getrokken, ineens liggen overal in huis dekentjes, er kan weer lusteloos tegen blaadjes aangeschopt worden, en de regen pleurt met bakken uit de lucht omdat we in Nederland wonen. Het is herfst, zoveel is zeker, en snotterend Nederland mekkert blogs en Facebook vol over vallend loof, tranen op de ruit en andere ellende die zich makkelijk leent voor metaforen. Ik heb daar persoonlijk helemaal geen zin in. Ik probeer er dit jaar maar eens een gezellige draai aan te geven: weer eens een keertje ouderwets herfst! Lekker met zijn allen rond tafels met spelletjes en schalen eten en lekker warme truien en pannekoeken in het bos en opgewarmde drank en filmavondjes en borrels tegen de kilte en meisjes met natgeregend haar! Het is natuurlijk je reinste lulkoek, maar als je het maar vaak genoeg zegt klinkt het best aannemelijk.

Want eerlijk is eerlijk: het hoogst haalbare wat betreft de herfst is een soort tolerantie. Een gelaten acceptatie van het feit dat je er niks aan kunt veranderen. Sommige dingen in deze wereld zijn nu eenmaal akelig zeker. Lekker eten is slecht voor je, Ajax wordt nooit meer kampioen, en na de zomer komt onherroepelijk de herfst. Niks aan te doen.  

 

Het is natuurlijk een beetje een aanstellerig seizoen, de herfst. Staat sinds jaar en dag in de schaduw van de zomer, en daar is ‘ie opstandig van geworden. “Negatieve aandacht is ook aandacht”, moet hij gedacht hebben, en vervolgens is ‘ie ons het leven zuur gaan maken. Wij springen daar dankbaar op in, want de herfst is natuurlijk een prachtig podium voor goedkope emoties en groots en meeslepend lijden. We worden theatraal verkouden en melancholisch van al dat verval om ons heen. Van de weeromstuit gaan we hele lelijke gedichten schrijven, of kruipen we onder de dekens met een kiwi en een pak kandijkoeken. Het leven is geen pretje; dat weten we dan ineens weer heel zeker, en zolang de donkere maanden ons in de tang hebben kunnen we daar weinig aan veranderen. Weg opwaaiende zomerjurkjes. Weg dartele gemoedstoestand. Weg wuivend gras en knus rondzoemende hommeltjes. Dikke trui aan, beentjes omhoog, en wegkwijnen maar!

 

Nee, dan de mensen die de moed erin proberen te houden. Die stappen enthousiast snuivend de klamme koude ochtendlucht in voor een pittige herfstwandeling, en hebben een optimistische oplossing voor al het klein leed. Granaatappels: vitaminebommetjes! Scheut rum in je chocomel: nergens last meer van! Uierzalf onder je oksels: weer helemaal het heertje! Ze duwen schaterlachen van de herfstpret een hoop spek in een kippenreet omdat “lekker uitgebreid koken er in de zomer nooit echt in zit” en flikkeren ineens overal schenkstroop overheen. Bovendien hebben ze van kwaaltjes geen last, want “Weerstand is het toverwoord!” Ik heb daar moeite mee. Zolang er zoiets als het weekend bestaat, is weerstand opbouwen toch een beetje dweilen met de kraan open. Maar ach, ze proberen tenminste er iets van te maken.

 

Ach, de herfst. Gisteren deed ik boodschappen. Het was eigenlijk niet koud, maar ik had wel mijn winterjas aan. Hij staat me beter dan mijn zomerjas; ik ben daar heel eerlijk in. Door de stad slenterend zie ik nog weinig blaadjes liggen. Het is net als met de lente, maar dan andersom: van de ene op de andere dag liggen ze straks allemaal op de grond, een putlucht te verspreiden.

Om me heen zijn alle mensen onderweg ergens naartoe. Naar huis, naar de winkel, naar een vriend. Dat is, bedenk ik me, een groot verschil met lente en zomer. In de herfst is niemand gewoon buiten. Om het buiten zijn. Hij is onderweg. Iedereen hier, op dit plein, is onderweg. En voor even vind ik dat een heel gezellig idee.

Voor me vliegt een wesp. Sloom. Ook onderweg. Naar de dood. Daar zou ik een mooie metafoor van kunnen maken. Maar zoals ik al zei, heb ik daar helemaal geen zin in.

 

Oktober. We moesten er vroeger of later aan geloven. Dampende thee, snotbevroren bovenlip, kriebeldas en paraplu die je steeds kwijt raakt, want dat is wat er nu eenmaal gebeurt met paraplu’s. Altijd onderweg, terwijl de regen met bakken uit de hemel pleurt. Omdat we nu eenmaal in Nederland wonen. En ach, die regen. Dick Advocaat zei er laatst dit over: “Als het hier regent, regent het anders dan in ieder ander land.” En zo is het maar net, Dickie.

Zo is het maar net.

druppels

Het is crisis, en het is herfst. De bladeren vallen, de Mexicaanse griep vreet zich een weg door onze weerstand, en veroordeelde pedofielen drukken de snor. Marco Borsato gaat met zijn bedrijfje de bietenbrug op, en in de tweede kamer wordt de begroting door de gehaktmolen getrokken. Het zal Heleen van Rooijen allemaal een worst wezen. Die heeft, alsof er niks aan de hand is, gewoon een nieuw kutboek geschreven. Ik ben de titel vergeten, maar er zal wel weer een boel in geneukt worden, op hele ondeugende plaatsen. Dat is het maffe van schrijvers als Heleen en Kluun. Die denken dat wij graag lezen over hoe zij zich met hun zwetende 40-pluslijven bovenop willekeurig jong neukvlees hijsen, ondertussen mijmerend over ingewikkelde dingen als vrijheid en de dood. Mensen met teveel huid, die weer eens een nietsvermoedend jong blaadje te grazen nemen in een bibliotheekcabine, terwijl ze eigenlijk getrouwd zijn en kanker hebben. Of pleinvrees. Of een verleden van seksueel misbruik. Deze schrijvers hebben nog gelijk ook, want Heleen is vanuit het niets op 1 gekomen.  Ook Kluun en Suzan Smit hebben over verkoopcijfers geen klagen. Nu schrijft laatstgenoemde niet bijzonder vaak over seks, maar dit compenseert ze dan weer door gewoon een nogal vervelende vrouw te zijn.

Binnenkort komt de nieuwe Dan Brown uit. Het zal mij benieuwen in wat voor mallotig eeuwenoud complot Robert Langdon deze keer weer stomtoevallig verzeild raakt. Geneukt wordt er waarschijnlijk niet, maar daar hebben de personages ook helemaal geen tijd voor, dankzij al dat gehannes met schilderijen, puzzels, geheime deuren, vrienden met een dubbele agenda en cliffhangers aan het eind van ieder hoofdstuk. Gelukkig blijkt het aan het begin van de volgende passage steevast mee te vallen. Dat scheelt dan weer.

 

Nederland leest graag kutboeken. Dat is heel normaal. Nederland luistert namelijk ook het liefst naar kutmuziek. Niks nieuws. Het is een soort gouden regel dat in iedere kunststroming de wansmaak overheerst. De mainstream dicteert, en soms zit daar ineens per ongeluk iets goeds bij. Daar staan we dan niet te lang bij stil, want voor je het weet krijg je nog hoop.

Als muzikant, schrijver of acteur weet je dit natuurlijk, en doe je er al dan niet je voordeel mee. Neem bijvoorbeeld Nicholas Cage. Tien jaar geleden stopte de beste man met acteren, en sindsdien draaft hij een paar keer per jaar met zijn huilerige hondenkop tussen kogelregens en explosies door. In wat voor stakkerige plotje hij nou weer verzeild is geraakt interesseert hem geen biet. Aliens? Prima. Gedaanteverwisseling? Ook best. Met een gezicht als een druipkaars meesmuilt hij wat zinnetjes van een lettergreep of drie, en hop, daar is de volgende knokscène alweer. Ondertussen stromen de flappen binnen, en hoeft Nic zich over crises geen zorgen te maken. Nic zou dertig keer de Entertainment Group van Borsato kunnen overnemen, als hij zin had om ervoor z’n bed uit te komen. Kijk. Daar hoef je bij de gemiddelde integere kunstenaar niet voor aan te kloppen. Die komt ook zijn bed niet uit, maar dat heeft niks met teveel geld te maken.

 

Het is Crisis, en het is herfst. Genoeg redenen om bang en een beetje verdrietig te zijn. Er is namelijk van alles niet zoals we dachten dat het zou zijn, en om ons heen wordt dat verval nog visueel geïllustreerd ook. Daar krijg je hoofdpijn van. En mistflarden in je hoofd. Over die flarden zou je best een mooi gedicht kunnen schrijven. Of een boek. Of een mistroostig liedje. Maar ja, geen hond die het horen wil. Geen mens die naar de druppels op de ruit kijkt en denkt: laat ik m’n humeur eens lekker de genadeklap geven met een uitzichtloos gedicht. Of een lied over pijn. Pijn en spijt.

Nee, feest willen we! Er moet gestampt, geschreeuwd, geknuffeld, nee, geneukt! We poetsen de druppels weg met de columns van Kluun, de raadsels van Dan en de werkseks van Heleen! We dansen de nacht in en drinken de ochtend weg met Fristi! En als het misgaat is Nic er om de brand te blussen.

Zo simpel kan het zijn. Moet het zijn. Geen lastige vragen. Geen stille wateren. Laat staan diepe gronden. We willen zoet en lawaaierig. We willen naakt en dom. Want het is crisis. En het is herfst.

 

 

Thoms en Wolters

Radiohead wil geen nieuwe CD meer maken. Zanger Thom Yorke wordt mismoedig van het groepsproces. Dat is geen verwonderlijk nieuws, eigenlijk, want Thom Yorke wordt overal mismoedig van. Thom Yorke is de enige man op aarde die met gemengde gevoelens een gevulde koek eet. De enige man die een zeventigduizend-koppig publiek zijn liedjes hoort meezingen, en denkt: “wat zijn ze dom!”

Dat zul je bij, om eens iemand te noemen, Wolter Kroes niet hebben. Die ziet zijn toehoorders massaal van links naar rechts zwaaien en “Sjalalalala Sjalalalala Oewowoeowoeowoe!” mee schreeuwen, en voelt alleen maar een dankbare warme gloed vanuit zijn tenen naar zijn vlezige hoofd trekken. “Ik bof maar”, zie je hem denken, en verdomme, hij heeft nog gelijk ook.

 

Je kunt van Wolter Kroes veel beweren, maar verkeerd begrepen wordt hij nooit. We weten allemaal wat we aan Wolter hebben, omdat Wolter het duidelijk communiceert. In zijn onvolprezen hit Ik heb de hele nacht liggen dromen laat hij er in de eerste twintig seconden geen gras over groeien:

“Ik heb de hele nacht liggen dromen!
Van je stem, van je mond,
Van je lijf, van je kont,
en de dekens op de grond!”

Dat lijkt me een helder verhaal. Wolter noemt er nog net geen naam bij, maar dat komt omdat hij zelf ook wel begrijpt dat daar gesodemieter van komt. Wolter lijkt me niet de man die van gesodemieter houdt. Wel van een broodje haring, en dan daarna heel hard roepen: “Vis moet zwemmen!”  Zoiets.

Thom Yorke houdt niet van een broodje haring. Haring wordt op onmenselijke wijze gevangen, gekweekt, gemarteld en van zijn eigenwaarde ontdaan. Wie de moeite neemt een haring in de ogen te kijken ziet een bloedrode zee van wanhoop en verdriet. Dat blieft Thom niet op zijn broodje. Zeker niet met uitjes erbij.

Een vriend van me zei laatst dat Thom zich niet zo moest aanstellen met zijn liedjes. Dat er ook gewoon dagen zijn dat de zon schijnt, en dat Thom dan ook gewoon in de zon ligt te pilzen. Hij heeft duidelijk nog nooit goed naar Thom gekeken. Pilzen, wellicht, maar in de zon liggen: geen sprake van! Ik denk dat Thom de zon alleen associeert met huidkanker en vergeelde menukaarten in afglijdende Oostbloklanden. Hij blijft liever binnen, om met zijn hoofd in zijn handen mistroostig naar een onbespoten wratmeloen te gaan zitten kijken.

De wereld is vol van Thoms. En van Wolters. Wolters houden zich doorgaans bezig met zaken die er werkelijk toe doen, zoals lekker eten, geld en koud bier. Thoms zien dat van een afstandje afgunstig aan. Zouden ook zo graag een Wolter zijn. Omdat ze ook wel snappen dat een Wolter zijn niks te maken heeft met gebrek aan verstand, maar met het vermogen dit verstand op nul te zetten.

 

Ach, waren we allemaal maar Wolters. Lagen we allemaal maar heel de nacht te dromen van eender wiens mond, lijf en kont. Maar zo zijn de kaarten niet geschud. Ik ben een Thom. U bent ook een Thom. Wij kunnen de maalstromen in ons hoofd nauwlijks afremmen, en mekkeren hier hele weblogs over vol. Of schrijven mineurige muziek. En af en toe treffen we een Wolter in de kroeg, die zich hardop afvraagt waar we toch steeds zo moeilijk over doen.

“Ach Wolter,” zeggen we dan,  “het is zoals Thom Yorke ooit zong: “We're rotten fruit. We're damaged goods. We’re backdrifters...“”

En Wolter zal zijn hoofd schudden en glimlachend zeggen: “Daar snap ik geen jota van, jongens.”

En wij zullen zuchten: “Wij ook niet Wolter. Wij ook niet.”

onder het tapijt

Mijn mond plakt en smaakt alsof ik vannacht op een dode bunzing heb liggen kauwen. De wereld suist een beetje. Ik til het tapijt op en wat ligt daar? Mijn kater van gisteren! Even afstoffen en hij is weer zo goed als nieuw. Daar ga ik nog de hele dag plezier van hebben.

 

Katers wegdrinken is een slecht idee. Je dicht het ene gat met het andere, maar iets oplossen doet het niet. Het gat wordt hooguit dieper, zwarter, en rafelig aan de randjes.  Op het moment van schrijven lig ik met mijn laptop onder een klamme deken, en staan mijn grote vrienden Pijn en Spijt aan het voeteneind van m’n bed naar me te grijnzen. Ik herinner me vaagweg de uitspraak “voor mij geen bier vandaag”, waarbij ik een fles witte wijn ontkurkte. Ergens tussen dat moment en het hier & nu heb ik mijn heldere geest ingeruild voor een prop groezelige watten, en nu pluk ik de zure vruchten. Maar ach, het is tenminste zomer.

Is het zomer? De felgekleurde “peace”-vlag van mijn overburen hangt zeiknat aan het balkon. Veel vrede straalt hij niet uit. Af en toe trek er een koude vlaag door mijn slaapkamer. Doe dan de ramen dicht, zou je zeggen, maar dan ruik ik mijn eigen aura ineens weer, en daar wordt een katerig mens niet vrolijk van. Het is kutweer buiten, zoveel is zeker, en verandering lijkt niet op komst. Dat was in Spanje wel anders. Twee weken geleden liep ik nog door een zonovergoten Valencia, waar de mussen dood en beetgaar van het dak donderden. Er waren zwembaden, sinaasappels, cocktails, een zwemband met een bekerhouder, een rustieke vallei en ik geloof dat ik ook een boek heb gelezen. Ach, Spanje. Zelfs de wespen waren er gastvrij. En alles, van supermarktwaren tot diners in ambachtelijke restaurants, alles werd tegen symbolische prijsjes lachend voor je klaargemaakt, ingepakt of afgesneden. In Spanje houdt iedereen van het leven, en het leven houdt van iedereen.  Soms denk ik dat ik Spanje zelf bedacht heb.

 

Ik poets mijn tanden en drink koffie. Het een maakt het ander niet lekkerder, en vice versa. Ik kijk naar de regen buiten en wou dat ik iets concreters had om over te zeuren. In de stad woekert het Festival van het Levenslied. Daar zou ik natuurlijk heen kunnen gaan. Een beetje tussen de met goud behangen witte paplijven een broodje beenham naar binnen proppen. Zwaaien naar Renee Schuurmans die “laat de zon in je hart” playbackt. Er ís geen zon. En de meeste mensen om mij heen hebben al genoeg aan hun vettige hartkleppen en bloedproppen. Die hoeven daar echt de zon niet nog eens bij te hebben. Ja, ik zou de stad in kunnen gaan. Ik zou mezelf lekker kunnen opwinden, de aandacht afleiden van mijn ruisende hoofd, en voor ik weet zou de dag voorbij zijn. De tijd vliegt als je je kapot ergert.

 

Ik pak mijn fiets, prop mijn I-pod-plugjes in m’n oren en fiets zonder er over na te denken met een grote boog om het centrum heen. Niks Festival van het Levenslied. Niks lelijke mensen en vies bier. Al die irritatie lijkt me ineens veel te veel van het goeie. Hoe kwam ik erbij? Ik heb daar helemaal geen zin in. Ik heb zin om garnalen te kopen. Dan zie ik thuis wel weer wat ik daarmee doe. Broodjes beenham zijn overschat, en hebben meestal niks met beenham te maken. Nee, verregende zondagen moeten niet in het teken staan van chagrijn, maar van rust. Rust en meergranenkoeken. Ik sla rechtsaf, de polder in. Ik fiets langzaam en luister naar nummers die allemaal in het teken staan van hetzelfde, en dat is prima. Het miezert. Ik doe mijn jas uit.

 

Je kater wegdrinken is een slecht idee. Het ene gat met het andere dichten maakt de gaten dieper, en witte wijn haalt rode wijn uit je kleren, maar de herrie niet uit je hoofd. Zondagen zijn er om te verregenen, zomer of niet. En of je de nacht ervoor nu te diep in het glaasje, of te diep in iemands ogen hebt gekeken; de zooi die je de volgende ochtend onder het tapijt aantreft, heb je er zelf onder geveegd. Eventjes afstoffen en het is weer zo goed als nieuw. Daar ga je, met een beetje pech, nog een heel leven plezier van hebben.

geert en de vrijheid

Ik heb Geert Wilders nooit als een bedreiging gezien. Dat gun ik hem niet. Ook heb ik nooit over hem willen schrijven, want mijn zendtijd gun ik hem nog minder. Daarbij koester ik de stille hoop dat er zich onder mijn lezers geen PVV-stemmers bevinden. Misschien is die hoop meer ijdel dan stil. Ik weet het niet.

 

Gisteren heeft Wilders betoogd dat alle zich misdragende moslims uit Europa geknikkerd moeten worden. Ik dacht dat Wilders niet in Europa geloofde, maar dat had ik mis. Wilders gelooft sóms in Europa, met name als het zich leent voor het grootschalig bruine mensen uitprocederen. Op dat moment is er ineens die eenheid die hij zo verfoeit, en zijn er ineens grenzen. Grenzen waar we die moslims dus buiten kunnen gooien. Grenzen die vervolgens dicht kunnen. Geert vindt dichte grenzen het mooiste wat er is. De aanblik van een dichte grens, en dat hij dan aan de ene kant staat, die dot glaswol op zijn dikke kop wuivend in de avondwind, en aan de andere kant moslims met honger en spijt; daar krijgt Geert goeie zin van.

Nu zult u misschien denken dat er hier iets scheef zit. Dat je niet enerzijds Europa kunt ontkennen, en anderzijds kunt pleiten voor het gezamenlijk afvoeren van mensen die in Allah geloven. Dat heeft u mis. Ziet u, problemen zijn niet gecompliceerd. Het ingewikkeld maken van dit soort kwesties is iets van de linkse kerk. En de linkse kerk, daar wilt u niet bij horen. Daar wilt u niet mee over straat. U moet begrijpen, het feit dat er op dit moment op iedere straathoek van Nederland vijf moslims met bommengordels omgebonden staan te wachten tot u en uw kinderen nietsvermoedend voorbij komen; dat is de schuld van de linkse kerk. De PvdA in het bijzonder. Die rooie smeerkezen hebben twee decennia lang achter uw en mijn rug stiekem wraakzuchtige moslims ons land binnen lopen sluizen. Die hebben ze vervolgens in onze mooie huizen gestopt en via het kattenluikje haat en wrok gevoerd, net zo lang tot onze hele maatschappij door en door verziekt was. Dat vind de linkse kerk leuk. En wij, arme drommels, wij hadden niks in de gaten, totdat Geert kwam. Geert zag het wel, en was dapper genoeg om deze charlatans openlijk aan het kruis te nagelen.

Geert betaalt een hoge tol voor onze vrijheid, dat moet u wel weten. Geert heeft geen moment rust. Laat staan privacy. En morgen is Geert misschien wel dood. Kunnen mooi die oude “de kogel kwam van links”-spandoeken weer van zolder.

 

Het mooiste aan het hele Geert Wilders-verhaal, is dat hij zijn partij de Partij voor de Vrijheid genoemd heeft.  Even daargelaten dat het gek is dat hij op PVV is uitgekomen, en niet op PV of PvdV, en dat je toch zou mogen verwachten dat hij correcte toepassing van de Nederlandse taal boven alles verkiest, is het natuurlijk ironie ten top. Partij voor de vrijheid. Mensen buiten flikkeren, grenzen dicht, boeken verbieden, scholen controleren, kogels door knieschijven jagen, en dan zonder blikken of blozen beweren dat in Nederland de rode vlag vervangen is door de meeuw van de vrijheid. De meeuw: Neerlands meest irritante vogel als symbool voor een ideologie die de democratie op de schop neemt en 60% van de grondwet wil herschrijven. Het is te zot om te bedenken en daarom gebeurt het ook. Mark Twain schreef ooit: “Truth is stranger than fiction, but it is because fiction is obliged to stick to possibilities; Truth isn’t.” Geert heeft het ter hart genomen.

 

Maar goed, zoals ik al zei, heb ik Geert nooit als bedreiging gezien. Zodra hij voor de camera verschijnt met dat gezicht als een frambozenwinegum en dat mallotige accent van hem, krijg ik hoogstens een jeukerig gevoel in mijn nek. Wat ik des te angstaanjagender vind, is de enorme schare Nederlanders die er wel wat in ziet, in deze man. Die daadwerkelijk meent dat de infantilisering van complexe problemen verfrissend werkt. Dat het feit dat links niet terugscheldt een teken is van lafheid, niet van respect of nuance. Deze mensen bestrijken inmiddels zo’n 20% van het electoraat. En van het straatbeeld. Ik zit er naast in de trein. Ik reken er mijn boodschappen bij af. God weet, misschien ben ik er recentelijk wel door geopereerd!

Maar gelukkig lezen ze mijn columns niet. Onder mijn lezers geen sympathisant van het mokkende vrijheidszwijntje. Of wel? Zo ja, dan bij deze een boodschap in de geest van uw geliefde debattechnieken: U bent knettergek! Ik blief u niet! Kssssst! Wegwezen! Opgedonderd! Weg!!!

Ziekenhuiskroniekjes

13:00

De narcose echoot nog wat na achter mijn ogen. De dokter vraagt hoe ik me voel en speciaal voor haar typ ik op het schermpje van mijn telefoon ‘Au. Bah.’ in. Ze knikt en zegt dat ze dat wel snapt. Nogal wiedes. Ze heeft net met een peperdure dunschiller twee chronisch ontstoken varkensmedaillons  uit mijn strot weggesneden; me dunkt dat ze begrijpt wat ik met Au en Bah bedoel.

Ik lig op een klamme kamer, met uitzicht op het voetbalstadion en een handvol bomen, en omgeven door dingen die piepen. Naast me ligt meneer van Os. Meneer van Os verkoop vogels. Vooral papegaaien. Meneer van Os mist zijn papegaaien, en s nachts laat hij scheten. Dat moet kunnen, vind ik. Sanne, in het bed tegenover me, krijgt met het gordijn gesloten een klisma. Ook dat moet kunnen. Om er een beetje bij te horen, kokhals ik een paar keer en gooi er twee liter bloed uit. Aangelengd met water natuurlijk, maar dat hoeven zij niet te weten.

15:00

Ik begin de paracetamol een beetje beu te raken. Paracetamol heb ik thuis ook. Daar poets ik m’n tanden mee. Voor pijnstillers die je in twintigtal voor 80 cent kunt aanschaffen laat ik mijn keel niet aan flarden harken. Ik druk op een rood knopje, want dan komt Kim. Kim is lief en best knap, maar ze kijkt je niet aan als ze met je praat.

‘Kim, de paracetamol doet niks.’playback ik.

‘Hm.’ Kim denkt na, of doet alsof. Misschien is dat wel een zustersprotocol. Als een patiënt van de standaard procedure wil afwijken: altijd even peinzend in de verte turen, met een blik die zegt dat zij dan ook niet voor de gevolgen instaat. ‘Ik heb morfine.’ zegt ze.

En daar komt ze nu mee!

‘Doe maar.’ knik ik, zo nonchalant mogelijk. Kim hoeft niet te weten dat ik van haar houd. Dat zou de pret maar bederven.

19:10

De bezoekers in de kamer komen niet voor mij. Ik heb het mijn sociale omgeving afgeraden, daar ik toch geen woord kan uitbrengen. Een wijs besluit, zo blijkt, want de mistflarden van de morfine fragmenteren de boel nogal. Terwijl de kennissen van Sanne en meneer van Os een onsamenhangend schaduwspel opvoeren, vind ik dat ik gekke vingers heb, en dat het bed heel lekker ligt, en dat Kim en ik samen heel gelukkig zouden zijn, ook al zou ze me nooit aankijken.

23:00

De nachtzuster zegt haar naam en schudt mijn hand, maar ik ben de naam alweer vergeten, want ja, die morfine, en wat een gekke hand eigenlijk. Ze zegt dat ze me om het uur komt wakker maken om water te drinken, en ik knik en murmel iets van prima. Ze glimlacht. Wij worden dikke maatjes, denk ik, en in het bed naast me roept meneer van Os iets onverstaanbaars. Ik vraag me af waarom nog niemand een papegaaienballon voor hem gekocht heeft. Er staat wel een beertje met ‘get well soon’ op zijn pluizige buikje, maar het lijkt me niet dat meneer van Os het een zak interesseert wat dat beertje er allemaal van vindt.

In het bed tegenover me slaapt en sms’t Sanne beurtelings, en verdomd, ook zij heeft zo’n beertje. Dat verandert de zaken. Nu wil ik ook een beertje, maar ja: heb mijn eigen glazen ingegooid door iedereen van het bezoekuur te weren.  Daar pluk ik nu de zure vruchten van. Ik vraag me af of ik al geslapen heb. Ik vraag me ook af waarom het in ziekenhuizen altijd naar leverworst ruikt. Zelfs ’s nachts.

De nacht kabbelt voort als een onregelmatige hartslag. Pas nadat ik de zon heb zien opkomen val ik in slaap. Een korte, onrustige slaap met een collage van dromen die geen vaste vorm willen aannemen.

08:45

Ik kleed me aan. Meneer van Os zit rechtop in bed vrolijk en uitsluitend in clichés  te praten. Sanne en hij krijgen ontbijt. Ik krijg een bakje yoghurt, als pesterige prelude op wat de komende dagen mijn dieet zal zijn. Terwijl mijn infuus verwijderd wordt denk ik aan een bord spaghetti. Heeft er iemand ooit net zo veel zin gehad in spaghetti als ik nu?

Onderweg naar de uitgang schud ik een paar handen. Men wenst me succes en vergeet me op slag, en dat lijkt me wel zo handig. Ze hebben het natuurlijk druk genoeg met het opsporen van de grappenmaker die een leverworst in de ventilatiekoker verstopt heeft.

 

Wat duizelig loop ik naar de auto van mijn vader. De zon wordt langzaam ingesloten door wolken, en ik bedenk me ineens dat Kim me één keer heeft aangekeken.

Toen ze een injectienaald in mijn bil stak.

Dommer

In Egypte steken ze al hun varkens in de fik. Dat moet van de regering. Er heerst immers varkensgriep, en voorkomen is beter dan genezen, denken de Egyptische autoriteiten. De varkensgriep heeft niks met varkens te maken. Er is op de hele wereld geen varken dat die ziekte ooit gehad heeft. Er zijn wel een heleboel Egyptische varkensboeren, en die hebben straks geen varkens meer. Die gaan dood. Van de honger. Niet aan de varkensgriep.

Even voor de duidelijkheid: we hebben het hier over hetzelfde volk dat duizenden jaren geleden de pyramides bouwde! Een slim clubje, die oude Egyptenaren, heel erg slim, want ze werkten met wetenschap die honderden jaren later opnieuw moest worden uitgevonden! De nieuwe generatie heeft daar helemaal geen tijd voor. Die hebben het veel te druk met duizenden beesten de strot afsnijden omdat er een ziekte naar ze vernoemd is. De vraag of we steeds slimmer of steeds dommer worden dringt zich wel een beetje op. Evenals het akelige antwoord.

 

Met streng gelovigen heb je hier niet zoveel last van, meestal. Die blijven eeuw na eeuw even dom. Of even slim, dat hangt maar helemaal van je perspectief af.  Zo las ik een paar dagen terug in de krant, en ik citeer: “In Apeldoorn zijn zondag zo’n tien kerkdiensten en bijeenkomsten verstoord door een Duitse sekte. Volgens de sekte is de christelijke gemeente verantwoordelijk voor de aanslag op koninginnendag. De daad van Karst T. zou een straf van God zijn.”

Ja, daar kon je op wachten. Er hoeven ergens maar een paar onschuldige dooien te vallen of een horde Christenen grijpt de verwarring aan om over de rug van de overledenen verdoemenis te prediken. Nu dit weer. Een werkeloze malloot rijdt met honderd kilometer per uur op een feestende massa in en meteen staan er weer een stel idioten met kruizen en wijwater te zwaaien. God heeft ons gestraft! Laat dit een les zijn! Als Andries Knevel niet openlijk had getwijfeld aan dat zes-dagen-verhaal; als Arie Boomsma niet met zijn blote navel in de Linda was gaan staan; als Paul de Leeuw niet de TV-moment-van-het-jaar-prijs had gewonnen; dan was dit allemaal niet gebeurd! Maar nee, wij moesten zo nodig Gods woord in twijfel trekken, en ja, daar komt natuurlijk hommeles van.

Geen grotere lijkenpikkers dan die-hard Christenen. Er vindt een dodelijke ramp plaats en de lijken zijn nog niet koud of er wordt alweer een “straf van God” geclaimd. In totale willekeur. Ja, zo kan ik het ook! Thuis een beetje op mijn luie reet zitten, en als er dan onverhoopt iets gebeurt waar ik zelf geen flikker mee te maken heb naar buiten rennen en schreeuwen dat het allemaal de schuld van wie dan ook is, en dat de mensen maar beter naar mij hadden moeten luisteren. En dat noemen ze dan “geloof praktiseren”. Ik vind het makkelijk scoren. Als die Christensekte ook maar een beetje daadkracht had, deden ze zelf tenminste nog een duit in ’t zakje, maar bij deze lamstralen kan er zelfs geen fatsoenlijke aanslag vanaf. Dat ze voortaan een voorbeeld moge nemen aan hun Moslimbroeders. Die steken tenminste de handjes uit de mouwen.

 

Je kunt echter zeggen wat je wil: consequent zijn ze wel; gelovigen. Die haalden vijf eeuwen geleden niet minder malle fratsen uit dan nu.  Toen moesten er ook om de haverklap een boel mensen dood, verbannen of gehersenspoeld, en de illusie dat we daar iets aan kunnen veranderen is er eigenlijk nooit echt geweest. Wel zo duidelijk. Nee, dan die Egyptenaren. Of de bedenkers van de Jamba ringtones. Of de mensen die ze aanschaffen. Of de vrouwen die dagelijks achter een lichtgevend katheter in Take me out gaan staan. Of de 20% procent van Nederland die denkt dat het wel een goed idee is een rascist met een coupe soleil als premier te installeren… Het stemt allemaal behoorlijk mismoedig, en doet je afvragen wat de generatie na ons allemaal in petto heeft voor de nuchtere burgerman. Ik hou m’n hart vast, en mijn eventuele varkens in de schuur.

 

het einde der tijden

De varkensgriep is nu te volgen via Google Maps, las ik zojuist. Als dat niet leuk is! Lekker thuis vanuit je luie stoel de dood dichterbij zien kruipen, jezelf ondertussen een ongeluk slikkend aan vitamine C-tabletten en levertraan. Deuren op slot, ramen dicht, lamellen naar beneden, internet aan, en gezellig samen kijken hoeveel dooien er inmiddels in Spanje zijn gevallen!

De varkensgriep is een hit. De zoveelste. Het begint er zelfs op te lijken dat we dit jaar komkommertijd maar gaan overslaan. We hollen van de ene panieksituatie naar de andere, en tussendoor moeten we ook nog tijd maken om koninginnendag te vieren en naar het gebral van Louis van Gaal te luisteren.

 

Persoonlijk denk ik dat het zo’n vaart niet zal lopen met die hele pandemie. Het is altijd hetzelfde. Er breekt ergens een gemuteerd virus uit, heel de wereld raakt in rep en roer, Europa gooit alle grenzen dicht en smijt en passant wat nietsvermoedende zwervers in quarantaine, en uiteindelijk gaat de hele zaak aan Nederland voorbij. Of sterft er een tiental oude vrouwtjes. Niks aan het handje. Het zijn altijd oude vrouwtjes die proberen voor te dringen bij het instappen van de trein. Daar bedoel ik niks mee, maar toch, laten we het niet vergeten.

 

Gisteren was ik bij vriend J. Ik schreef vrij recent nog over mijn hypochondrie, maar dat is niks vergeleken bij vriend J’s apocalyptische doemdenkerij. Sinds ik hem ken (een jaar of dertien) heeft hij al een goeie vijf keer handenwrijvend het einde der tijden afgekondigd. Daar is meestal niet zo heel veel voor nodig. Een aanslag, een virusuitbraak, het smelten van de poolkappen, een uit de dierentuin ontsnapt gordeldier, een omgevallen gieter; de vernietiging van de wereld of op zijn minst de mensheid is altijd nabij! Vriend J houdt wel van een beetje drama. Ik ook, ik verdien er zelfs mijn brood mee, maar met massahysterie heb ik het eerlijk gezegd eventjes gehad. We zitten verdomme middenin een crisis waar ik niks van merk, nu dan dat biggenvirus, en ik ben nog amper bekomen van de verloren kwartfinale tegen Rusland! Ik vind het mooi geweest. De zomer is in aantocht. Een zwik nationale feestdagen staat voor de deur. Het ruikt naar gras en witbier buiten. Er zijn rokjes links en rechts, en verdomme, ze waaien net zo mooi op als vorig jaar! En het jaar daarvoor. En in het boek van Oek de Jong. Dus ik stel een nieuwe manier voor om de varkensgriep aan te pakken: we zwijgen hem dood. We negeren hem. Doen net alsof hij niet bestaat. Kijken of ‘ie daar van terug heeft. Ik durf te wedden dat het binnen de kortste keren afgelopen is met die aanstellerige verspreiding! Fuck de hysterie; leve de komkommertijd! En als dat aanslaat passen we het ook toe op de crisis. En terrorisme. Werkte op de middelbare school ook prima.

En als ze de boodschap dan nog niet begrijpen, wachten we ze alledrie na school op, en trappen we ze van hun fiets. En jatten we hun lunchgeld. Kijken wie er dan nog een grote bek heeft.

 

Wie doet er mee?

wit en dik

Hoewel een vunzige regenbui het buiten krampachtig probeert te ontkennen, is het toch beslist al een paar dagen lente. Het kan u niet ontgaan zijn. Zodra er een paar aarzelende zonnestraaltjes door het wolkendek priemen, holt heel binnenzittend Nederland in paniek de straat op, om druk te flaneren met nieuwe zonnebrillen, vestjes en kekke hoedjes. Als dan vijf minuten later het hemelwater zich weer naar beneden stort zoekt men wanhopig een heenkomen in kroegen en eetcafés, waar goddank nog een doos jägermeister de winter overleefd heeft. Het is ook altijd hetzelfde gesodemieter. En omdat we te eigenwijs zijn ons voordeel te doen met spreekwoorden als “maart roert zijn staart”, zal het ook nooit anders worden.

 

Toch, je ruikt het. En je proeft het in de lucht. De lente is er, en ze mag zich dan weer vanouds als een verpest miljonairsdochtertje gedragen, ik ben er verdomme blij mee. Ik heb haar gemist. Ach, de lente...  Je ziet het aan de gezichten op straat. Je hoort het in het hysterische gekwinkeleer van de vogeltjes  die het ook allemaal niet meer weten. Je voelt het! Of het nou een schoorvoetend herstel van geloof in de liefde is, of de zin om rauwe lappen vlees op een zwart geblakerd rooster te gooien tegen de achtergrond van een klaptafel vol cocktailsaus; ze is er weer, de lente, en ze mag gevierd worden!

Maar ho. Zo simpel liggen de zaken niet. Voordat we met z’n allen baltsend op een terrasje aan een lauwwarm witbiertje gaan zitten nippen, moet er flink wat vertimmerd worden. Aan het lichaam, welteverstaan. Van vijf maanden kou krijg je immers trek, en bovendien heb je de feestdagen (in- of exclusief carnaval), waarbij we ons plichtmatig hebben volgeschrokt met in hun eigen vet badende dode dieren. En snoep. Daarbij is er in de winter flink wat verdriet en eenzaamheid weg te eten. Allengs zijn onze jonge, pezige twintigerlichamen uitgedijd tot lillende welvaartsproporties, en dan komt dat lekkere weer toch altijd een beetje als donderslag bij heldere hemel. Toch nog dat zwaard van Damokles in uw spekkige nek. Wat een ellende. Ik heb daar geen last van, trouwens, ik kom uit een broodmager nest, dus mij interesseert het geen fuck, maar de rest van Nederland jammert er jaarlijks hele weblogs over vol, dus dan zal het wel.

En inderdaad. Getuige de volle zalen in mijn vaste sportschool is het waar. Hordes zwetende, zuchtende, steunende en veel te veel water drinkende terraszitters in spé. Ze bestijgen de loopbanden, roeiapparaten en ligfietsen, in de hoop die lentekriebels ergens in Mei om te kunnen zetten in daden. Als het meezit. Ik kijk daar altijd een beetje verwonderd naar, vanonder mijn haltertjes, want ik sport juist om een beetje massa te krijgen. Hoe walgelijk dit ook moge klinken, gelooft u mij, zonder een beetje krachttraining heeft mijn schouderpartij dezelfde breedte als mijn hoofd. En mijn hoofd is smal.

 

Hoe dan ook, die toekomstige zonneschijn laat zich niet tegenhouden. En ondertussen tikt de klok. De lente sluipt steeds kleiner wordende cirkeltjes om ons heen, sadistisch grinnikend. En al dat gezweet, gedraaf, gezucht en ge-zonnebank komt natuurlijk veel en veel te laat. In mei zitten we allemaal op hetzelfde terras. Allemaal te dun of te dik, allemaal te bleek of te bruin (omdat je van de weeromstuit een hele nacht onder de zonnebank bent blijven liggen), en allemaal wanhopig op zoek naar een verwante ziel om de buikvlinders op te botvieren. Om er vervolgens opgelucht achter te komen dat die haar bikinilijn niet bijgewerkt heeft. En zo hoort het ook, in de lente.

magere hein

Deze keer kwam ik toch echt goed voorbereid voor de dag. Met twee verdachte moedervlekken en een maand lang chronische hoofdpijn leek ik geramd te zitten, maar al na een half uur stond ik onverrichter zake buiten de praktijk van mijn huisarts. Alweer geen kanker.

 

Ik ben een klassieke hypochonder. Iedere dag ontdek ik wel weer een nieuwe terminale ziekte waarvan ik alle symptomen in overvloede bezit, bij voorkeur met een pijnlijk ziekbed en schuim oprochelend einde in het verschiet. Wie een beetje handig met Google omspringt kan ieder kwaaltje in een handomdraai vergroten tot vraatzuchtige tumor, en bovendien zijn er ziekenhuisseries. Hartstikke leerzaam, want tweewekelijks leert dokter House ons weer een ziekte bij waar we nog nooit van gehoord hadden. De één nog onsmakelijker dan de andere. En we kunnen het allemaal in een wip oplopen, bijvoorbeeld door het inademen van autogassen, het aanraken van een bepaalde plant of gewoon van een milkshake. De paniekzaaier in mij had het nog nooit zo ruim voor het kiezen. Mezelf troostend met de gedachte dat Nietzsche er ook wat van kon sla ik mezelf door mijn dagelijkse routine heen, maar makkelijk is anders.

 

Er zijn heel veel mensen die het niet erg vinden om dood te gaan. Of althans, ze hebben zich erbij neergelegd dat er nou eenmaal niks aan te doen is, en leven vrolijk hun zorgeloos bestaan alsof er geen morgen bestaat. Ze gaan naar de Efteling, de Ikea of het spoorwegmuseum, en wanneer magere Hein langskomt, nu ja, dat zien ze dan wel weer. Een lastig hoestje is gewoon een lastig hoestje, hoofdpijn is gewoon hoofdpijn en als ze duizelig zijn gaan ze even liggen, en dan is het zo voorbij. Onuitstaanbare is dat deze mensen doorgaans heel oud worden, ondanks hun doosverachtende levenswandel vol sigaretten, sterke drank en onveilige seks.

 

Nee, dan ik en mijn hypochondrische achterban. In onze krampachtige poging alles te controleren proberen wij wanhopig de dood een stap voor te blijven, met als resultaat dat we zijn koude zeis de godganse dag in onze nek voelen kriebelen. We slikken ons een darminfectie, slapen extra uurtjes tot we zwart zien van de doorligwonden, we zuipen vruchtensap dat het een aard heeft, en komen vaker bij de dokter dan, bijvoorbeeld, op de wc. Bovendien zijn we contant overspannen, vanwege al die terminale kwalen die we steeds te lijf moeten.

Zodoende zat ik dus laatst bij mijn huisarts met die mekkerende hoofdpijn. Migraine, luidde de diagnose. Dat stelde me gerust. Voor een half uurtje. Want wat als die migraine nou eens de aandacht afleidde van iets anders, zoals bijvoorbeeld een gezwel achter mijn ogen, of een gemuteerde vorm van hersenvliesontsteking? Je weet tenslotte nooit of je niet meerdere dingen tegelijk onder de leden hebt (waarschijnlijk wel) die elkaar lafhartig de hand boven het hoofd lopen te houden. Heel vermoeiend allemaal. En tijdrovend bovendien, want kanker, daar kom je niet 1, 2, 3 vanaf.  Dus gauw onder de dekens met een zak chips en maatbeker ibuprofen, hopend op betere tijden. Zoals de zomer.

 

De zomer is immers het beste medicijn. Voor alles. In de zomer is er niks aan het handje. Met een sinaasappeltje per week is ieder kuchje zo uit de wereld geholpen, en anders drink je gewoon een trog sangria leeg, want daar knap je ook stevig van op. Lekker zonder das de straat op, en ongestraft tongzoenen met onbekenden; allemaal geen enkel probleem. Ach, de zomer. Het is een heerlijk seizoen, waarin je nauwelijks hoeft na te denken over nabestaanden, levensverzekeringen, rare bultjes en ademhalingsritmes. Gewoon een luchtig blouseje aan en de terrassen op.

Uiteraard niet te lang, want die zon op je huid is een sluipmoordenaar, en voor je het weet slaan die cellen als idioten aan het delen…

verhuizen

De week is al een tijdje onderweg. Het is een leuke week. Sven Kramer kwam ergens een of andere prijs ophalen waar ‘ie ook nog een paar rondjes voor moest schaatsen, Ajax werd door Vitesse achter het behang geplakt, en tegen de achtergrond van dit strijdtoneel beginnen zich de eerste tekenen van de lente te vertonen. Laat ik me nou voor de verandering eens niet als een optimistische malloot gedragen, het duurt nog wel even, dat weet ik best, maar toch: ik heb de eerste knopjes gezien, en ik word daar verdomme gelukkig van. Voor mijn huis trappen kinderen tegen een voetbal. Namen van idolen sijpelen door mijn raam naar binnen. Er huilt er eentje, maar dat duurt niet lang. Als ik mijn hoofd naar buiten steek voel ik de zon. Een beetje. Het zal me een zorg zijn dat het ’s nachts nog vriest; ’s nachts lig ik in m’n nest of ben ik dronken. Dan kan de vorst hele konijnenkolonies doodvriezen of ontluikende krokusjes de nek omdraaien; ik slaap er geen minuut minder om.

 

Over een week ben ik geen Utrechter meer. Ik verhuis naar het zuiden des lands. Daar kom ik ook vandaan. Ik probeer dit uit te leggen aan mijn boven-rivierse vrienden (en ik heb argumenten van graniet, jazeker), maar helemaal begrijpen doen ze het niet. Brabanders zijn dom, praten gek en drinken heel de dag door bier, dus wat heb ik daar nou godsnaam te zoeken?

Het geeft niet. Ik heb de onverenigbaarheid van deze twee werelden al dik en breed geaccepteerd. Bovendien zit ik graag in de trein. Het komt wel goed, aan welke kant van het water mijn makkers ook wonen.

           Wat me veel minder zint, is het vooruitzicht van een verhuizing. Dat is namelijk heel erg vervelend werk. Het verplaatsen van de inboedel van adres A naar adres B is nog wel te doen, maar niets zo irritant als het in- en uitpakken van spullen. Daar heb je namelijk veel te veel van;  spullen. Bij je vorige verhuizing heb je de helft weg geflikkerd, en op de een of andere manier heb je het gepresteerd in de tussenliggende twee jaar nog meer zooi bij elkaar te verzamelen dan voorheen. En dus moet je weer aan de bak. Grote vuilniszak in het midden van de kamer en sorteren maar. Overbodige administratie: in de zak. Ontvangen briefkaarten en verlopen uitnodigingen: in de zak. Kapotte computerboxjes: in de zak. Verbleekte T-shirts, programma Pinkpop 1999, verbogen flessenopener, een stuiver, kortingsbonnen voor de winter-Efteling (daar zijn ze!), dronken notities voor eerste roman, verroeste paperclip, beschimmelde badeend, voetbalgids 2002, gefossileerd plakje salami, dode hamster: in de zak.

           En dan begint de ellende pas. De grote hoeveelheden zinloze troep die de schifting overleefd hebben moeten in dozen gestopt. Van deze dozen heb je er nooit genoeg. Sommige mensen denken dat de hoeveelheid kubieke meters gemeubileerde ruimte een even grote hoeveelheid kubieke meters zooi oplevert. Dit is niet waar. Eenmaal aan het inpakken geslagen blijkt bijvoorbeeld dat de inhoud van je bescheiden boekenkastje goed is voor minstens drie dozen. Je dvd-verzameling vult er ook al gauw twee. En dan ben je nog niet eens aan je archiefkast, je bureau en je kleding toe gekomen. Reken ook op zeker twee dozen als het aankomt op voorwerpen waarvan je dacht dat je ze kwijt was. Liefdesbrieven, zonnebrillen, horloges, opa’s gouden tientje, de afstandsbediening, de betonschaar; ze liggen allemaal op plekken waar je ze niet had verwacht, maar die natuurlijk volstrekt logisch zijn. In bad. Onder de pianokruk. In de vriezer.

 

Terwijl ik dit schrijf torenen de kartonnen stapels aan weerszijden boven me uit. Het begint donker te worden en ik heb nog drie vierkante meter mappen en papierstapels voor de boeg. Ik heb geen zin meer. Ik kap ermee. Morgen weer een dag. Ik zou op de bank gaan liggen, als die niet volgepakt stond met 2 keer “boeken”, 1 keer “CD’s en magazines”, en drie tassen in de categorie leuk-om-te-bewaren.  Bah.

Hollands zwijntje

Bratislava is een wonderlijke stad in de winter. De pittoreske straatjes zijn vrijwel uitgestorven. De zomerse glimlach is van de gezichten gesmolten, en kortweg vinden de bewoners het helemaal niet leuk dat je er bent. Dat snap ik wel. Ze vinden het waarschijnlijk ook niet leuk dat zijzelf er zijn, en dan is het feit dat jij even met je portemonnee komt zwaaien en daarna weer lekker naar huis gaat behoorlijk onuitstaanbaar. Want als er een ding is dat me hier langzaam duidelijk wordt, is dat het heel vervelend moet zijn om hier te wonen. Of waar dan ook, in Slowakije.

Dat is natuurlijk gek om te zeggen, want een land is een land, en je wordt er nu eenmaal geboren. Ieder land heeft zijn voors en zijn tegens, en sowieso zijn eigen identiteit. Mis! Slowakije is het muurbloempje van het bal. Het verlegen meisje achterin in de klas. De grijze muis die wanhopig achter de feiten aan schuifelt op haar klompvoeten, en wiens vrolijke kindersnoetje langzaam verwringt tot een hele zure zuidvrucht. Mensen in Slowakije zijn niet vrolijk. Zelfs niet in de hoofdstad. Ze slaan de kluwens Chinezen gaande die erop los fotograferen maar niks eten, en zuchten als je je voet over de drempel van hun restaurantje zet. In de zomer willen ze wel aan de bak, dan valt er tenminste grof te verdienen. Maar in de winter hebben ze nergens zin in. Althans, niet in het opdienen van eten voor een frisse knaap uit Holland die zijn rozige welvaartsgezicht volpropt met lokale specialiteiten, want “om de prijs hoeft ‘ie niet te laten”!

Dat snap ik best. Want waar gaat het allemaal heen, met dat gekke kleine Oostbloklandje Slowakije? Ze hebben ineens de euro, doen volop mee met Europa, maar liggen wel erg uit de route als er ergens eens wat leuks te doen is. Bovendien, ga er maar aanstaan, zo’n inhaalspurt. Kleding, muziek, techniek; het holt allemaal vooruit, en wie de trein mist staat voor eeuwig te blauwbekken op het verlaten station. Dus Slowakije doet krampachtig mee. Zo draaien ze bijvoorbeeld hippe muziek. Overal. Of je nou een kop koffie zit te drinken of een leuk, lief kaarslichtdinertje wil; de hitparade jengelt je uit iedere box tegemoet. En dan zal het ze een worst wezen welke artiest waar te horen is. Beyonce, Rihanna en Leona Lewis maken overal de dienst uit. Langs deze muzikale middenweg vind je dan de liftende pubers van Slowakije. Die hebben hippe kleren aan. Allemaal. Niet in specifieke combinaties, maar gewoon een samenraapsel van hier een baggy broek, daar een T-shirt met een pistool erop en allemaal een leuke muts op. De jongens dan. De meisjes kleden zich als dames en kijken boos. Mooi en boos. De jongens hebben een kaalgeschoren kop. Die zijn ook boos. Waarschijnlijk omdat alle meisjes boos zijn, en de jongens dus niet veel meer kunnen dan met hun verschrompelde pielemuis hopen dat er eens een keer eentje ontdooit.

Maar het is niet de schuld van de Slowaken. Het is de schuld van die trein. Die trein die veel en veel te hard rijdt. Veel te hard om erop te springen – je breekt je poten – maar als je het niet doet zul je ergens in een donker, vochtig hoekje verhongeren. Dus doe je mee met de euro, importeer je de hits uit het vadsige Westen, bedien je knarsetandend dat vrolijke Hollandse zwijntje, en vergeet je langzaam wat je land eigenlijk voor land was. Want je verleden heb je moeten laten vallen, toen je op die trein sprong. Veel te zwaar.

Niet dat dit mij allemaal iets interesseert, natuurlijk. Ik wil hier weg. Ze zijn helemaal niet aardig tegen me.

januari

Het is Januari. In Januari ben ik niet op m’n best. Het is dan dat de winter net wat te lang begint te duren. Mensen worden ziek, mensen zijn een beetje moe en er zijn ineens geen feestdagen meer om de boel enigszins op te fleuren. Geen jus-overgoten schranspartijen, geen lange tafels met dronken familieleden en zwijmelige kaarsenpracht. Ook met de sneeuw is het wel weer zo’n beetje afgelopen. In Januari beginnen dingen mij te irriteren. Daar kan ik niet zoveel aan doen. Dingen die ik het hele jaar moeiteloos voor zoete koek geslikt heb zijn ineens onoverkomelijk en irritant.

Zo was ik gisteren boodschappen aan het doen. Dat doe ik het hele jaar door, vrijwel moeiteloos, maar ineens zit me van alles ernstig dwars. Ik ben het bijvoorbeeld helemaal zat met de verpakkingen van de Albert Heijn. Het is dat ze er fijne flessen versgeperste sap verkopen , anders ging ik een straatje om, langs de Super of de Dirk. En het is dat het tijgerbrood echt heel erg vers smaakt, anders kocht ik het niet meer.

Bij de Albert Heijn hebben ze de neiging op de verpakking gedetailleerd uit te leggen wat ik precies aan het kopen ben. Dat vind ik irritant. Ik wéét wat ik aan het kopen ben. Dat is een van de redenen dat ik het koop. En alsof dat niet genoeg is vertellen ze me er ook bij wat ik er van vind. Reuzehandig. Hoef ik dat zelf niet meer uit te maken. Nee, dat doet de AH voor mij. Die melden me dat ik niet zomaar een tijgerbrood gekocht heb, nee, een “ovenheerlijk tijgerbrood”! Het is maar dat ik het weet. Dat ik straks niet op een hap zit te kauwen en denk: “hm. Aardig tijgerbrood.” Of “Ik heb wel eens lekkerder gehad.” Nee, dit is een ovenheerlijk tijgerbrood! Dit is smullen! Dat ik dat maar even goed in m’n oren knoop!

De oplettende lezer is trouwens natuurlijk allang opgevallen dat de nijvere etikettenschrijvers er ook nog een speelse woordgrap tegenaan hebben gegooid. Niet overheerlijk, maar oveNheerlijk. Jazeker. Want bij de Albert Heijn zijn ze lekker gewoon gebleven. Lekker gewoon en soms lekker gek, met soms een grapje tussendoor om het gezellig te houden. Ovenheerlijk. En daar worden dan mensen krankzinnig dik voor betaald, om een paar dagen per week rond een tafel vol met producten te zitten, en dit soort afgrijselijke woordspelingen de ruimte in te slingeren.  Terwijl ik met mijn schrijversvrienden elk dubbeltje omdraai teneinde ergens in 2014 een slecht gelezen kutroman in de winkels te hebben. Het is niet eerlijk, en dan is het buiten nog stervenskoud ook. In die vergaderruimte van de Albert Heijn is het vast lekker warm. En vloeit de gratis single malt whisky rijkelijk, want “sushi moet zwemmen”! Of zoiets.

Wat ik in Januari ook ineens niet leuk meer vind zijn vesten met een capuchon. Heel het jaar lang met veel plezier gedragen, maar ineens vind ik het mateloos irritant dat de capuchon als een soort verfrommelde washand in je nek bungelt. Want door die fijne dikke winterjas kan ‘ie niet hangen, zoals een capuchon hoort te doen. Lekker nonchalant. Lekker gewoon. Over die fijne dikke winterjas gesproken; waarom donderen de knopen van dingen die je in de herfst kocht er altijd in Januari af? Net als je staat te blauwbekken in een of andere polder omdat een stel vrienden zo nodig moest schaatsen.

Nee, in Januari ben ik niet op m’n best. Maar daar ben ik niet alleen in. Eigenlijk is iedereen in Januari een beetje half mens. Zet in ieders hoofd het lange wachten op de lente in. Denken we af en toe ineens een knopje aan een boom, of een ontkiemend krokusje te zien. Dat is niet zo. Dat is maar onze verbeelding. De lente slaap nog. En wij liggen wakker. Ook dat vind ik heel irritant, in Januari.

Feestvarken

Verjaardagen zijn afschuwelijk. Met een beetje geluk kun je ze redelijk geruisloos voorbij laten gaan, maar als je pech hebt moet je een feest geven. “Een feest geven moet nooit” hoor ik u denken, maar dat is natuurlijk niet waar. Dan zou er namelijk nooit iemand een feest geven, en feesten hebben we nodig. Hadden we geen feesten, dan werden er een stuk minder kinderen geboren, en mijn verzameling smakelijke anekdotes zou er ook danig onder lijden. Soms moet je er dus aan geloven, eens in de tien jaar of zo.

Het geven van een feest is eigenlijk net zoiets als Hitlers plan om toch Rusland maar eens binnen te vallen: het leek zo’n goed idee. Het leek best haalbaar, en ook best gezellig, en verdomme het leek daadwerkelijk alsof er ook flink wat opkomst zou zijn. Maar toen rond half twaalf slechts dertien man in een veel te grote ruimte ballonnen kapot stonden te trappen; toen oom Ronnie al drie kwartier wezenloos  starend met een lepel in de huzarensalade stond te roeren; en toen het meisje waar jij toch echt een veto over uitgesproken had geheel tegen het pact in met je beste vriend stond te tongen, toen wist je het weer: feestjes geven is heel erg vervelend.

Het was vroeger al niet leuk. Goed, een kinderfeestje geven hoorde er nu eenmaal bij wilde je jezelf niet veroordelen tot de sociale buitenringen van de klas, maar fijn was anders. Zo staat me helder bij dat de jarige altijd moest huilen. Een resultaat van dagen opgekropte spanning, teveel kleurstoffen en, bijvoorbeeld, een onfortuinlijke struikelpartij. Feestmuts op en janken maar.  Ook kreeg je nooit de cadeautjes die je wilde. Bij een kind luistert dat heel nauw. Je wilde een actiefiguurtje, van een specifieke film, en dan ook je specifieke lievelingskarakter, maar dan wel die met de bazooka, en niet die met dat stomme vangnet. Je kreeg hem nooit. Je kreeg ook nooit het zakmes met ingebouwd lampje. Of zo’n scheten latende silly-putty slijmklodder. Je kreeg een trui. Kutcadeau. Of sokken. Of, als je mazzel had, een kwartet. En daarna werd je met je verjaardagsketting om en je nieuwe 3D-puzzel voor de TV gezet, want Villa Achterwerk begon zo. Terwijl alle stoere kinderen uit de klas Telekids keken en elkaar de hersens insloegen met hun Teenage Mutant Ninja Turtles, zat jij met een stuk suikervrije taart en een houten opwind-eend smachtend naar het einde van de dag uit te kijken. Als je pech had kwam er ook nog een tante of oma langs, die je Jarige Job noemde. Jarige Job. Feestvarken. Gefeliciflapstaart. Hier heb je vijf gulden. Voor in je spaarpot. Je spaarpot!!!

Achttien jaar later ben ik nog altijd geen liefhebber van mijn eigen verjaardag. Andermans verjaardag daarentegen vind ik prachtig. Mooi overhemd aantrekken, imponeren met een origineel cadeau en vervolgens de zus van de jarige in het tuinschuurtje uitgebreid feliciteren met haar broer. Of anders toch op z’n minst heel erg veel bier drinken en met andere leeftijdsgenoten naast een vuurkorf mijmeren over dat doodzieke “vroeger”, waar we toch maar mooi vanaf zijn.

Leukste verjaardagen zijn die van mensen die je nauwelijks kent. Feestjes waar je via via terecht komt. Je ziet de organisator zuurtjes lachen als jij en de andere ongenodigden binnenmarcheren. Je mompelt een vluchtige felicitatie zijn richting uit, om daarna rechtstreeks richting koelkast/gelegenheidstap te stampen. En diep van binnen weet je het. Weet je hoe ellendig en alleen de jarige zich diep van binnen voelt. Hoe zijn ziel een beetje sterft op het moment dat er weer een glas rode wijn over het vloerkleed gaat. En je weet dat vroeger of later jij ook weer de pineut bent. En met deze wetenschap glimlach je deemoedig, mep je een flesje bier kapot op je hoofd en stort je je bulderend in de teil huzarensalade…

Erwin

Ik begrijp uit het weer van vandaag dat we dit jaar de herfst maar overslaan. Lekker makkelijk wel. Het scheelt een hoop gedoe met zomerjas nog aan of toch maar winterjas, das of geen das, paraplu mee of niet, en andere ellende met vitaminepillen, nysyleendruppels en familiepakken tempo zakdoekjes. Gewoon hatsikidee, alle bladeren in één week naar beneden, een temperatuurduikvlucht van vijftien graden en een krakende vorst aan de grond. Wel zo duidelijk.

 

Ik weet niet hoe het met u zit, maar ik ben het er grondig mee oneens. Ik hou niet van kou. Vallende bladeren vind ik mooi, maar als ze eenmaal gevallen zijn is de pret er al gauw af. Is het kaal, ineens, en nogal ongezellig buiten. Daar doe je niks aan. Het weer is een van de weinige dingen die we niet gedemocratiseerd hebben, en dat wordt dagelijks afgestraft. Natte zomer volgt op laffe winter, en als er eens een keer een hittegolf is zit heel Nederland toevallig net in Frankrijk, waar het hemelwater op dat moment met bakken uit de lucht pleurt. Zo gaat dat. Bovendien waait en regent het altijd op iedereens verjaardag, en raak je altijd je paraplu kwijt, zelfs als je hem niet hebt meegenomen. Het weer speelt hier dan handig op in en bestookt je met hagel en donderwolken, terwijl er een strak blauwe zomermiddag voorspeld was.

Want dat is ook zoiets. Uit frustratie dat we het weer niet kunnen beïnvloeden, zijn we het maar gaan voorspellen. Hier hebben we een dagelijks evenement van gemaakt, en we hebben iemand die het heel goed kan. Hij heet Erwin Krol. Erwin houdt heel erg van weer. Wat voor weer, dat zal hem een worst wezen. ‘En dus mensen, worden we morgen getrakteerd op een lekkere frisse herfstbui. Met van die lekker grote hagelstenen. En een paar prachtige blikseminslagen. En ijzel, dus reken ook maar op een flinke berg verkeerdoden. Kortom: heerlijk herfstweer!’ En dan maakt ‘ie er zo’n opgetogen vuistgebaar bij. Ik wordt daar altijd meteen vrolijk van. Het maakt niet uit wat er morgen op het weerpogramma staat, Erwin heeft er zin in. Dan kan ik toch haast niet achterblijven. Hij heeft het vaak fout, want zo gaat dat, maar dat geeft niks. Want in plaats van een schitterende sneeuwstorm krijgen we dan gewoon een lekkere ouderwetse plensbui, zoals je ze in Engelse films ziet.

Helaas wordt ik in de praktijk gewoon nogal chagrijnig van vies weer. Als ik met een sporttas vol klamme kleren, nat haar van het douchen, met snotbevroren bovenlip naar de Albert Heijn fiets wil ik spontaan op vakantie naar een land waar het dan misschien niet veilig, maar wel lekker warm is. En als ik met van kou verstijfde vinger scheldend aan mijn slot sta te wrikken wil ik eigenlijk het liefst Erwin even opbellen.

‘Waar zit je Erwin?? Lekker binnen? Nou mooi, kom jij dan maar eens even als de sodemieter mijn fiets parkeren, terwijl ik een kilo magnetronstamppot sta aan te schaffen!’

Dat verdient Erwin natuurlijk niet. Hij probeert er ook maar het beste van te maken. Ons een hart onder de riem te steken. Het weer is gewoon een onberekenbaar en vervelend verschijnsel, er enkel op uit om ons het leven zuur te maken. Kan Erwin ook niet helpen.

En uiteindelijk hebben we altijd nog liever Erwin Krol dan die zeurderige Gerrit Hiemstra. Gerrit staat al vanaf de eerste seconde uit te stralen dat ‘ie er helemaal geen vertrouwen in heeft. Een gezicht dat zegt:  ‘Ik voorspel nu wel zon, maar het zal wel weer kutweer worden, en dan is het natuurlijk allemaal mijn schuld.’ Nee dan Erwin. Erwin houdt de moed erin, en prijst een zondvloed nog aan als een dagje naar de dierentuin. En dat is maar goed ook.

    Al zou het toch wel fijn zijn als Erwin een keer, gewoon één keer, zou zeggen waar het op staat. Dat nadat Philip Freriks zijn bekende bruggetje heeft gemaakt, dat Erwin dan zou zeggen: ‘Nou mensen, dat wordt helemaal niks morgen. Het is eigenlijk vlees noch vis mensen, maar koud wordt het wel. En nat ook. Vies nat. Weet u wat mensen? Ik zou lekker binnen blijven morgen, het Riskbord uit de kast trekken en het gezellig op een zuipen zetten. Goedenavond.’

eekhoorns

Amerikanen zijn helemaal niet dom. Dat is een standpunt dat ik graag verdedig. Ik vind namelijk dat er een boel goeds uit Amerika komt. Geen land ter wereld bijvoorbeeld waar ze zo kunstig filmplots kunnen construeren. Vind van Hollywoodproducties wat je vinden wilt, maar degelijkheid viert er hoogtij. Verder maken ze er prima spijkerbroeken en komt er zo nu en dan een vlaag goeie rockmuziek vandaan. Ze kopen hele grote huizen waar ze geen geld voor hebben en geven iemand anders de schuld als ze daardoor in de nesten komen. Ik probeer zulks ook altijd, maar ík kom er niet mee weg. Amerikanen wel. Die liegen tegen zichzelf, elkaar en de wereld dat het gedrukt staat, maar het principe “als je het maar vaak genoeg zegt wordt het vanzelf waar” was nog nooit zo toepasselijk. Daarbij zijn Amerikanen extreem goed in het jatten van recepten, om er vervolgens vakkundig alle voedingswaarden uit te slopen en Real American voor de naam te plaatsen. Daar kan de irritant nederige Nederlandse keuken nog een voorbeeld aan nemen.

 

Nee, die Amerikanen zijn niet achterlijk. Goed, ze nemen zaken niet graag met een korreltje zout, en zijn wel erg dol op het platbombarderen van landen waar veel bruine mensen wonen, maar het zij ze vergeven. Ze doen wat ze doen, en daar zijn ze doorgaans de besten in. En zo niet, dan doen ze voorkomen van wel, en daar tuinen we allemaal in. Ook een kunst.

Toch, mijn standpunt wordt wat lastig te verdedigen als er verkiezingstijd aanbreekt in Amerika. Daar kunnen Amerikanen niet zo goed tegen. Dan dooft het waakvlammetje der redelijkheid en gunnen ze elkaar en elkaars kandidaten maandenlang het licht in de ogen niet.

Ik hou ervan als de ware aard van mensen boven komt dobberen. Zeker als ze aan de andere kant van de oceaan wonen. Ineens openbaart zich de zwartgeblakerde ziel van een compleet volk, en ik kan het lekker op televisie bekijken. Beentjes omhoog. Knakworst in mijn knuisten. Het zal mij benieuwen wat ze vandaag weer verzonnen hebben…

Amerikanen stellen op zo’n moment nooit teleur. Zeker niet als de verkiezingen naderen. John McCain gaat nu bijvoorbeeld, in een laatste wanhoopsdaad, twee mannen in eekhoornpakken achter Obama aansturen. Dit mag u navorsen op internet. Het is waar. Twee mannen in eekhoornpakken, die ten aller tijde de kiezer eraan moeten herinneren dat Obama ooit eens in een nietszeggend comité heeft gezeten met een man die vroeger knalerwten begroef om tegen de Vietnamoorlog te demonstreren. Die man op zijn beurt heeft weer wat van doen met een organisatie waarvan de naam iets met eekhoorns te maken heeft. Begrijpt u wel? En om dit hoogverraad vierentwintig uur per dag aan de kaak te stellen gaan er nu twee volwassen kerels in pluche pakken achter Obama aansjouwen. Waarschijnlijk stagières van het republikeins campagneteam: “Rodney, Donny, leg die bumperstickers maar weg, we hebben een hartstikke leuk klusje voor jullie!”

Nu heeft dat eekhoornverhaal sowieso de hardwerkende, godvrezende middenstand van Amerika de stuipen op het lijf gejaagd. ‘Ik vertrouw Obama niet.’ huiverde een vrouw op een Republikeins congres. ‘Hij is een Arabier.’ Dit sprak ze uit op een toon alsof ze zojuist ontdekt had dat Obama in zijn vrije tijd kleuterbeentjes amputeert. Een Arabier. O walging.

Obama is geen Arabier. Obama is een halfbloed Afrikaan. Zijn voorouders komen uit een land dat niet door Amerika in de fik is gestoken, maar waar tóch negers wonen. McCain sprak de vrouw tegen, en dit kwam hem op boe-geroep te staan. Nuance is niet iets waar Amerikanen hun kandidaat graag op betrappen. Dan overschreeuwen ze hem liever, met pakkende leuzen als “Kill him!”en “Terrorist!”.

Dit alles wordt lustig aangewakkerd door Sarah Palin, een vrouw die rond marcheert met een grijns alsof ze mede mogelijk gemaakt is door Coca Cola. Een in Amerika zogeheten MILF, die ze uit een klomp ijs getrokken hebben om McCain aan de overwinning te helpen. Ze was burgemeester van een stadje waar negenduizend mensen wonen, daarna was ze twee jaar gouverneur van Alaska, en als John McCain gekozen wordt is ze een hartinfarct verwijderd van het presidentschap van Amerika. 50 procent van de Amerikanen vindt dit wel een aantrekkelijk idee. Sarah Palin. Als je in haar ogen kijkt zie je een groot zwart gat, daar waar haar geweten had moeten zitten.

 

Dus.

 

Om op te sommen gaat de race naar het witte huis tussen een neger met flaporen, en een man die vijf jaar in een gevangenenkamp heeft gezeten en toen ‘ie weg mocht zei “nee nee, ik blijf nog even.” Deze man wordt bijgestaan door een Antichrist met borsten. Dit alles kost dan weer een smak geld waarmee je heel Wall street zou kunnen opkopen, en dan is er nog geen president gekozen. Wel lopen er een stel volwassen kerels drie weken lang in eekhoornpakken rond…

Amerikanen zijn helemaal niet dom. Ze hebben gewoon heel veel gevoel voor humor.

Lekker gek

Een herinnering: Over het pinkpop-terrein lopen twee meisjes, hand in hand. Ze hebben bijenpakjes aan, en kijken strontchagrijnig.
“Waar hebben jullie die bijenpakjes gekocht?” vraagt een man met een broodje braadworst.
“Zelf gemaakt hoor!” kaatst een van de twee bits terug. Waar bemoeit die man zich mee? Ze mogen toch verdomme zeker zelf weten of ze in bijenpakjes naar pinkpop gaan? Ze zijn gewoon lekker gek. Doen gewoon wat ze zelf willen. Maakt ze niks uit…

 

Iedereen kent ze wel, of komt ze tegen. Lekkere gekke mensen. Mensen die gewoon helemaal zichzelf zijn, en spontaan op ieder moment gewoon lekker gek doen als ze dat willen. Geven ze niks om. Ze zeggen het er ook altijd even bij: “ik ben gewoon lekker gek.” Mocht het je niet zijn opgevallen.

Ik ben lekker gek… Voor zo iemand moet je altijd een beetje oppassen. Je kunt er namelijk gif op innemen dat je met een doodsaaie duimendraaier te maken hebt.  Iemand wiens leven zo meeslepend is als drogend behang. Iemand die drie grappen uit zijn hoofd kent, in de trant van “barbeknoeien”, “tot sinas” en “dikke lul drie bier”, en wiens weken zich doorgaans laten vullen met nietjes door documenten slaan en bij de koffiemachine knokken tegen de wurgende eenzaamheid.

 

In een donkergrijs verleden ben ik wel eens op vakantie geweest naar Blankenberge. Nu is vakantie in een dergelijk zuipoord natuurlijk de gelegenheid bij uitstek om lekker gek te doen, en dat vond onze campingbuurman ook. Elke avond voor het stappen hees hij zich in een knalgeel kippenpak. Ik zag dat tafereel dagelijks met gemengde gevoelens aan. Toen ik op een dag de moed bij elkaar had geraapt en vroeg: “waarom doe je dat eigenlijk”, antwoordde hij: “DA’S TOCH LEUK?!”

Geen speld tussen te krijgen.

Twee weken in een Vlaamse badplaats lekker gek doen, vermomd als bier tankend pluimvee, en dan als de wiedeweerga weer terug naar je bureau bij de ABN amro, want verdomme wat is het duur zeg, dat lekker gek doen…

Ik ben lekker gek… En dan weet je eigenlijk al hoe laat het is. Iemand die zegt “ja en dan sta ik in de disco gewoon lekker gek te doen” heeft het vaak gewoon over dansen. Over drie bacardi-cola drinken en dan thuis in bed zichzelf kapot gaan liggen schamen. Want als er toch iets is wat lekker gekke mensen he-le-maal niet trekken, dan is het daadwerkelijk lekker gek doen…

Op muziekfestivals als Pinkpop is het niet anders. Heel het jaar door achter een tandartsbalie levensmoe in het niks zitten staren, maar voor drie dagen komt het zelfgenaaide bijenpakje uit de kast om de wereld te laten zien dat je er bij bent! Ze moeten alleen geen lastige vragen gaan stellen…

   

Ik ben lekker gek… Ik wil dan eigenlijk het liefst een gesprek aangaan. De gekkerd in kwestie diep in de ogen kijken en zeggen: “Nietwaar. Jij bent helemaal niet lekker gek. Jij bent doodnormaal, net als wij allemaal. Jij bent net zo gemiddeld als ik, en die gedachte maakt je ziek. Daar wordt je ’s nachts zwetend wakker van. Want wie ben je, als je niet boven het veld uit steekt? Wat stel je voor, als je gewoon net als de andere werkmieren niets meer doet dan je steentje bijdragen, en in de pas blijft lopen totdat je uiteindelijk doodgaat? Als Ja en Amen de twee sleutelwoorden zijn tot je intens doorsnee bestaan? Tot een leven in dertig grijstinten? Wat heeft het dan nog allemaal voor zin? Nietwaar?”

En me dan omdraaien. Weglopen. Of rennen. Om vervolgens thuis te komen, de deur achter me te sluiten, en snel naar de zolder te klimmen om mijn bromvliegenpak aan te trekken.

Het is tenslotte vrijdag.

Ziektes en grasmaaiers

Er zijn flink wat redenen om voorzichtig te leven. Afgrijselijke sterfgevallen zijn schering en inslag in deze wereld, en een beetje twintiger is eigenlijk sowieso permanent aan het doodgaan. Niks aan te doen; gaandeweg je ouder, en schijnbaar wijzer wordt ontvouwt zich een bloeddorstig scala aan manier waarop je het leven kunt laten. De een nog gruwelijker dan de andere, en bijna allemaal wachten ze om de hoek van het alledaagse leven om jou met sardonisch genoegen richting de eeuwige jachtvelden te sturen, je nabestaanden achterlatend met de deerniswekkende resten van alweer een volslagen onnodig ongeluk of puisterig virus.

Ikzelf ben er nogal eens van overtuigd in de terminale fase van weer een of ander gemuteerde ziekte beland te zijn. Daarbij heb ik een nogal ambivalente verstandhouding met het lot, en bezeer ik mezelf in jaarlijks toenemende mate. Het is onafwendbaar: vroeger of later zal men mijn vermorzelde lijf uit een brandende golfkar moeten trekken, lig ik creperend in een bak gilette mag3-turbo-messen of steekt mijn stuiptrekkende hand nog net uit de nieuwe supersonische grasmaaier van de overburen.
Dit denk ik niet.
Dit wéét ik.

Deze wetenschap is niet alleen erg akelig, maar ook nogal onhandig als je probeert een leven te leiden wat het navertellen enigszins waard is. Daarbij zit het er dik in dat ik op een gegeven moment kinderen ga krijgen, en die hebben doorgaans een vreemd soort ingebakken doodswens, die zich uit in allerlei suïcidale initiatieven zoals:
-Geblinddoekt de snelweg oprennen.
-Boomhutten in vermolmde oude wilgen bouwen, op een goeie twintig meter hoogte, met een fundering van plakband, wattenstaafjes en papier-maché.
- Met spiernaakte wildvreemde mannen mee naar huis gaan.
- Blootsvoets ronddraven op grasvelden rond drugsopvangcentra.
- Dorst krijgen bij de aanblik van literflessen ammoniak, schoonmaakazijn en verfverdunner.
- Schroefduiken uit absurd hoge kinderstoelen in een pannenkoekenrestaurant, waar buiten overigens een verroest speeltuintje vervaarlijk blikkerend in het maanlicht wacht om het resterende grut te onthoofden.
Zo kan ik nog wel even doorgaan.
Daarbij opgeteld zijn er ook nog eens tal van apocalyptische feestelijkheden die de tere leventjes van het kroost van buitenaf bedreigen.
Zo zijn daar rondslingerend keukengerei, bosbranden, terroristen die nu al jaren lang beloven eindelijk eens iets in Nederland op te blazen, overgewicht, fox-kids (waar nauwelijks volgroeide lawaaierige figuurtjes met onmenselijk grote ogen elkaar dagelijks tot puin rammen), foute vriendjes, joyriders, drugs en natuurlijk de terugkeer van de vale gier, die naar verluid in bijkans een half uur een hele kleuter naar binnen werkt. En dan heeft hij niet eens honger.

Het is onder andere hierom dat ik het rond mijn negentiende gestelde doel van vroeg vaderschap maar even aan de wilgen heb gehangen. Ik krijg een verlies van het Nederlands elftal maar met moeite verwerkt, kunt u nagaan wat het overlijden van een kind met me doet.

Aan de andere kant.

Afgelopen week, werkend achter een beduimeld festivalbarretje, kreeg ik bezoek van een Pools meisje van één. Rondscharrelend nageslacht van een van de festivalgangers die met toenemend enthousiasme glazen matige witte wijn achterover kegelde, alsof er geen morgen was.
Na de schroom van zich afgeworpen te hebben wist het kindeke mij met een vette lach een glas gratis jus d’orange af te troggelen, en maakte het nog bonter door me grijnzend aan te wijzen en met koddig Oostblok-accent “Loekaz” te noemen. Een kwinkelerend schaterlachje volgde.
Weerloos ben je dan.
“Laat maar komen, die kinderen”, denk je dan.
En terwijl de homp ijs rond mijn zwartgallig schrijvershart ontdooide, meende ik,
als ik heel goed luisterde, in het hemelruim boven mijn bar,
het schorre gekrijs van een vale gier te horen.

Jack

Het is een beetje zomer. Ik vervel op mijn schouders, rokjes wapperen weer en groen is het nieuwe grijs. Barbecues knisperen de avondlucht vol. Het EK komt eraan, we worden allemaal verliefd of zijn het al, en ’s nachts zullen we zwemmen met elkaar en met flessen lauwe rosé.

Het is een beetje zomer, en dan valt het levensgeluk als een kwinkelerende ooievaarsbaby, hopla, in je schoot. Hoef je niks voor te doen. Of nou ja. Niks.

Wie zomer zegt, zegt ook een beetje Jack Johnson.

 

Jack Johnson woont op Hawaï. Daar ligt hij in zijn hangmat, drinkt hij cocktails en speelt hij een mopje gitaar in de avondzon. Als Jack ontbijt nuttigt zindert de geur van bananen-pannekoekjes over de veranda. Knusse eilandbeestjes komen een kijkje nemen en zijn niet bang voor Jack, want Jack heeft nooit kwaad in de zin. De wind snijdt er nooit en de zon streelt de zilte surfershuid. Jack vind het fijn op Hawaï, en daar schrijft hij liedjes over.

En dat moest maar eens afgelopen zijn.

 

Het moest dames en heren, maar eens afgelopen zijn met dat obligate knuffel-kampvuur-geneurie. Met Jack en zijn gitaar, zijn zalvende stem en zijn behaagzieke niks-aan-de-hand liedjes. Er is verdomme van alles aan de hand Jack! Genocide, aardbevingen, corruptie, epidemieën, gebroken harten, verraad, bedrog, tranen, dode kinderen, oprukkende totalitaire regimes, pindakaas, alweer een film van Michael Bay, inflatie en ga zo maar door. De ene verschrikking verdrukt de andere, maar jack zingt een liedje over bananen-pannekoeken. Dat is nauwelijks een onderwerp te noemen, en klinkt nog behoorlijk smerig ook! De wereld snijdt elkaar de strot af, maar het zal Jack allemaal worst wezen, als hij maar lekker kan tokkelen.  Jack met zijn pluizige blije beertjes-pop. Met zijn pudding-in-mijn-achtertuin-thema’s.

 

Ik wens niemand een leven vol ziekte en ellende toe, dat is niet netjes, maar in Jacks geval zou het toch op z’n minst interessant zijn. Hoe zou zijn volgende plaat klinken als hij in een vergevorderd stadium van syfilis zat weg te smelten? Daar in zijn houten strandtent.  Zou Jack dan wellicht her en der een mineurtje zijn muziek laten binnensluipen? Zou Jack schoorvoetend toegeven dat het ook wel eens tegen zit in dit leven? Dat er miljoenen onder zijn luie reet in de hangmat liggen te vergelen terwijl zijn geslacht verschrompelt tot het formaat van een ambitieuze krent? Dat zijn vriendinnetje hem verlaten heeft en dat hij haar hiervoor wel zou kunnen wurgen?

Ach, waarschijnlijk haalt het niks uit.

“Dag lief publiek. Mijn naam is Jack Johnson. Zoals jullie weten heb ik teelbalkanker. Dat heeft mij geïnspireerd tot het volgende liedje. Het gaat over een kokosnoot.”

Nee, Jack gaat nog minstens vijf CD’s volhummen met goedgemutste zand-en-schelpjes-muziek, en wij moeten die gifbeker helemaal leegdrinken. Want zolang de verkoop- en downloadcijfers hartlustig kloppen, blijft de radio ons trakteren op Jack. Jack en zijn liedjes.

 

Waar is toch de tijd gebleven dat je als rockartiest pas erkenning kreeg als je in de keuken aan een koord bungelde? Of het nou zomer was of niet. Of je nou vervelde op je schouders of niet. Of de opwaaiende zomerjurkjes je tegemoet fladderde, of de lauwe rosé smaakte naar liefde of op zijn minst seks of niet. De wereld is een slangenkuil en je hoofd een teerput, en dat verdient een liedje. Dat, en niets minder. Dat en niets minder, Jack. Tot die tijd ontwijk ik de radio tot de winter weer haar intrede doet. Want in de winter, daar heeft Jack niks te zoeken…

Oud papier

In de zomer van 2006 had ik ambitieuze vakantieplannen, maar een budget wat daar geenszins op aansloot. Met nog twee weken tot de vertrekdatum kun je zeggen dat ik qua planning een beetje te veel op de welwillendheid van het lot had gerekend. Dat moet je nooit doen. Het lot is een klootzak, en als ‘ie eens een goeie dag heeft zul je net zien dat jij in bed ligt, terwijl het buiten honing en geld regent. Dat eeuwige onrecht daargelaten: geen geld = geen vakantie. Ik zat in een financiële spagaat, en moest aan de vakantiebaan. De keuze zou alles behalve ruim blijken.

Oud papier ophalen klinkt een stuk liever dan vuilnisman, maar in de praktijk is er verdomd weinig verschil. Oud papier stinkt niet, dat scheelt, maar is alsnog loodzwaar en je haalt om de haverklap je tengels open aan catalogi en listig verschanste post-it’s. Daarbij is 7 uur ’s morgens een tijdstip uitgevonden voor hanen, vogeltjes en ander gevederd tuig, maar beslist niet voor mensen. De nood was echter aan de man, en ik hees mij zodoende iedere ochtend huilend van spijt uit bed om aan het werk te gaan. “Gezellig mee met de oud-papier-wagen”. Met die woorden had Joop van Ulteam (snap u hem?) uitzendbureau me in deze berenklem gelokt. En nu moest ik wel. De oud-papier- wagen. “Ach,” redeneerde mijn vriendengroep ad rem “kun je tenminste gelijk zien waar later je boeken terecht komen.” En ze namen nog een slok welverdiend witbier. Ik kon wel janken. 

Een schaars voordeel was het mooie weer. Een goeie dertig graden bleek een uiterst geschikte temperatuur om achterop een wagen te staan die in de polder toch al gauw 50 kilometer per uur haalde. Daarbij had je altijd iets bij de hand om wespen mee dood te meppen, en kregen we limonade van eenzame huismoeders en verveelde veteranen.

Op de kar vormde ik een gelegenheidsduo met Sjors. Sjors was een opneukertje van rond de veertig met pretoogjes, een kekke snor en de hersencapaciteit van een augurk. Buiten het feit dat Sjors de neiging had totaal willekeurige individuen tot nieuwe vrienden te bombarderen, was hij zo racistisch als de ziekte. Zijn politiek zeer twijfelachtige grappen vertelde hij echter met een knusse frivoliteit waarmee hij me zelfs een pek-en-veren-behandeling had kunnen aansmeren. Sjors was dus best te hachelen, al was ik aan het eind van de dag blij als hij vrolijk zwaaiend in zijn pandaatje aan de horizon verdween.

Sjors had het prima naar zijn zin bij het oud-papier-bedrijf. De liefde was niet wederzijds. De andere oud-papier-halers vonden Sjors vervelend, en pestten hem als een klein meisje. Tijdens de lunchpauze, waarin zó plat Brabants gepraat werd dat zelfs ik het niet verstond, zat Sjors met zijn lunchtrommeltje op de verwarming. Jantje had de laatste lege stoel nodig voor zijn moeie voeten. Sjors had echter een contract voor onbepaalde tijd, en het had er alle schijn van dat hij die beker helemaal leeg ging drinken. Mezelf een dwarslaesie tillend aan de afgedankte papiervreugd, had ik medelijden met het rare kleine ventje. Sjors was als een komedie-sidekick. Hemeltergend irritant, maar met een (ietwat fascistisch) hart van goud. 

Gelukkig had Sjors helemaal niks in de gaten. Hij liet zich al het getreiter welgevallen, en vertelde mij achterop de wagen vrolijk over de pret die hij met de jongens maakte als de laatste lading binnen was gebracht. Ik knikte dan en gooide hem een zojuist bemachtigde playboy toe, waarvan zijn oogjes nog net wat verrukter gingen twinkelen.

Toen ik, gebruind en een anderhalve kilo gespierder, na twee weken afscheid nam, stelde Sjors voor ooit nog eens een biertje te gaan drinken. Dit is er uiteraard nooit van gekomen, want zo gaan die dingen.

Het lot heeft bepaald dat Sjors en ik elkaar nooit meer zijn tegen gekomen.

Zo is ‘ie dan ook wel weer. Het lot.

Huisdier/kind *

Ik denk dat ik de huisdierenfase maar oversla. Veel mensen gaan van goudvis, naar konijn, naar hond/poes, naar kinderen, maar ik geloof dat ik niet ga meedraaien in die harige mallemolen. Een vriend van mij heeft sinds kort een huisdier. Of nou ja, huisdier. Iemand heeft een hondje binnenstebuiten gekeerd en daar loopt hij nu mee rond. Het beest draagt een trui.

Goed, dit is misschien een slecht voorbeeld, maar toch, dat hele huisdieren geneuzel is aan mij niet zo besteed. Ik draai me nog eens lekker om en wacht tot het tijd is voor kinderen.

*

Vrijdagavond. Het is koud buiten, en daarom in de Albert Heijn extra gezellig. Het ruikt er naar wokschotel. Zo’n tweehonderd mensen roezemoezen wat in het rond, en de rijen zijn geenszins in verhouding met de capaciteiten van de caissières. De mijne heet Manuela, en Manuela kijkt de wereld in met twee ogen waaruit alle levenslust is weggesijpeld. Ik glimlach vriendelijk naar haar. Het helpt niet. Bij de sigarettenbalie staat een jonge vrouw met aan haar hand een mollig knaapje met een plastic tasje vol met smurfen. Hij sjort wat aan de jas van zijn moeder en wijst naar totaal willekeurige producten die hij graag per direct aangeschaft zou willen zien. Moeders negeert hem. 

Manuela vraagt mistroostig of ik mijn bon wil. Ik schud van nee en wens haar een prettig weekend. Manuela knikt. Ze kan wel janken. Ik begin mijn boodschappen in te pakken. Het kereltje heeft zijn worstige knuisten inmiddels daadkrachtig om een winkelwagentje heen geklemd en rukt eraan alsof het de klink van de hemelpoort is.  “Die!” snerpt het uit zijn bolle welvaarts-smoeltje. “We moeten die, mamma!” De zak smurfen is terstond in de vergetelheid geraakt.

Moeder zucht, en nauwelijks overtuigd pakt ze het ventje bij zijn spartelende armpje. “Nee we hebben geen boodschappen nodig, schat. Kom.” Dit lijkt mij een plausibel argument maar het kind wil er niks van weten. “We moeten die! Deze mamma, deze !”

“Nee, je hebt je smurfen, we gaan naar huis. Mamma heeft niks nodig vandaag.” 

Het jongetje begint te huilen. Kinderen hebben twee manieren van huilen. De eerste manier is de oprechte. Het huilen om een geschaafde knie, een weggelopen konijn of een film over een moordende clown die toch gewoon te eng blijkt te zijn. Als we dit horen worden we wee, en troosten we het kind want hij is zielig. De tweede manier is de ik-wil-mijn-zin-troef. De kaart die de kleine ettertjes uitspelen als ze iets willen wat niet binnen het financiële bereik ligt, of gewoon niet zo handig is. Het is een weloverwogen, nauwkeurig getimed jengelen, wat vaak èn plain public in de strijd geworpen wordt. Heeft qua geluid het meeste weg van een roestig scharnier dat tergend langzaam omgebogen wordt, of van een dakloze dronkaard die met vereende kracht een wals uit zijn valse viool probeert te persen. Lievelingslocaties hiervoor zijn de bus, de Efteling, of, in dit geval, de supermarkt, en als je een beetje mazzel hebt gaat het kind erbij op de grond liggen en heen en weer rollen. 

De klaagzang van de kleine uitvreter met zijn smurfentasje noopt zijn moeder tot een binnensmondse tirade, maar echt ingrijpen doet ze niet. Ik zou het joch met liefde een mep met mijn net aangeschafte prei verkopen, maar dat is geloof ik niet de bedoeling. Ik richt me dus, net als de rest van de winkelende massa, op mijn boodschappen. Ik heb de nieuwe Voetbal International gekocht. En kleur-soep. Ik concentreer me op mijn Voetbal International. En de kleur-soep. 

Eenmaal buiten zie en hoor ik het jongetje niet meer. Hij heeft zijn moeder mee terug de winkel in getroond. Mét karretje. Ik morrel aan m’n fietsslot en kijk naar de knopjes aan de bomen in de avondzon.   

Het is half zes. Dat treft. De dierenwinkel is dus nog open.

Lente

De lente aarzelt. Dat doet ze ieder jaar. De lente is een 18-jarig meisje. Ze schuifelt met haar voeten en kijkt je vluchtig aan vanonder een net iets te gestileerde lok donkerblond haar. Ze glimlacht kuiltjes in haar wangen. Ze giechelt en haalt heel even haar gelakte nagels over je bovenarm. Een dag later is ze weg. Laat ze drie weken niks van zich horen, om vervolgens met het vrolijkste roffeltje denkbaar weer aan te kloppen. Dat is de lente.

Ik en de lente worden het maar zelden eens. Dat is eigenlijk de schuld van de winter, die niks met 18-jarige meisjes te maken heeft, maar in de vorm van een vadsige, harige, naakte non allerlei bacillen door mijn strot duwt met het uiteinde van haar mattenklopper!

Kortweg: ik ben een weerloze snotteraar. Weinig mensen verlangen zo naar de lente als ik. Met een koortsig hoofd en snotbevroren bovenlip haal ik haar binnen als was ze de godin van de liefde zelf. Terwijl het in de slaapvertrekken van mijn witte bloedcellen nog akelig stil is draaf ik de deur uit op zoek naar het eerste krokusje!

Ik en de lente worden het maar zelden eens. Omdat ik de hele winter kwakkel zijn de eerste zonnestralen in Februari voor mij gegronde reden voor vlag en wimpel! Blijmoedig omarm ik de bloemenpracht, paastakken en kuikentjesvreugde!

Echter, die pluizige vrolijkheid is maar van korte duur, want zoals gezegd laat de lente je met satanisch genoegen vallen als een baksteen. Optimistisch gehuld in T-shirt en linnen broek ben je amper tien meter van huis, of de zwaluwen scheren zich weg en een doortastende hagelbui maakt korte metten met de herwonnen levenslust. De vorst keert terug, de ijzel grijpt om zich heen en op de achtergrond hoor je dat misselijke wicht sardonisch lachen…

De lente en ik, wij worden het maar zelden eens. Je kunt ‘r niet vertrouwen, die lente, maar wat willen we het allemaal graag. Wat willen we allemaal graag de lente uitnodigen bij ons thuis, volgooien met breezers en nooit meer laten gaan. We zouden haar drogeren, knevelen, vastbinden en dwingen tot heldere keuzes. Dwingen tot regen of zonneschijn. Dwingen tot lachen of huilen. Dwingen tot duizenden kuikentjes, roedels lammetjes, knopjes aan bomen die al dood waren, en de mogelijkheid om in april met kleedjes, wijn en grote hompen brie elkaar het hof te maken.

Wat zouden we blij zijn.

De terrashouders.

De straatartiesten.

Die meisjes die zich ieder jaar veel te vroeg in korte rokjes hijsen en de rest van de zomer zuchten onder chronische blaasontsteking en nierstenen.

De jongens die pas weer licht in hun ogen krijgen bij het zien van diezelfde korte rokjes.

De mensen die van het goede leven houden.

Of van rose.

Wat zouden we blij zijn.

Wij.

Jij.

Ik.

Maar ja.

Ik en de lente.

Wij worden het zelden eens.

WEEK

Weet u wat voor week het is? Nee? Ik ook niet. Maar reken maar dat we ons daar nog danig mee in de nesten gaan werken. De kans dat we namelijk met een doorsnee week van doen hebben is zeer klein, moet u weten, en voor u het weet gaat er allerlei bewustmaking en liefdadigheid aan u voorbij terwijl u van toeten nog blazen weet. Het zou bijvoorbeeld zomaar ineens “De week van de prostaatkanker” kunnen zijn. Weet u veel? Of u mist per abuis “De week van het doodgeschopte pluimvee”. U knippert twee keer met uw ogen en ook “De week van de ferme handdruk”, “De week van het kopje thee bij de buren” en “De week van de nageboorte” gaan aan uw neus voorbij. En u heeft geen flauw idee.

Een jaar heeft 52 weken. De “Weken van…” nemen in moordend tempo toe, en wij als nietsvermoedende, hardwerkende, godvrezende burgers maar proberen het bij te benen. Als paddenstoelen schieten ze uit de grond, die weken, en inmiddels rijst de afschrikwekkende vraag: wat als de weken op zijn?

Je zult zien; het voorstel voor “De week van het kapotgeknauwde potlood” staat koud in de kinderschoenen, of een slinkse snoodaard kaapt met zijn “Week van het pantoffeldiertje” de laatste beschikbare zeven dagen van het jaar weg! Wat nu gedaan? De “Maanden van…” zijn ook reeds vergeven, en om een of andere conservatieve reden zit niemand op “Het kwartaal van de reservaatloze indiaan” te wachten.

Nu zouden we natuurlijk met een roulatiesysteem kunnen gaan werken. Een soort draaideurproject voor de themaweken. Alle jaren met een even getal krijgen aan het begin van Oktober “De week van de darmvlokken” toegewezen, terwijl diezelfde zeven dagen in de oneven jaren toebedeeld wordt aan “De week van de yoghurt”. Zo kunnen we wel een tijdje vooruit, en is er ineens weer volop ruimte voor “De week van de eenzaamheid”, “De week van de Kanariepiet” en “De week van de totaal overbodige voetnoten in kutboeken.”

Toch, moet u zich eens voorstellen. Het lijkt een simpele, doorgaanse, doodnormale themazondag. U stapt in uw joggingbroek de voortuin in om de morgenzon te begroeten, en vraagt tijdens het strekken én passant aan uw buurman: “In welke week zitten we?”

Buurman lacht wat meewarig, schudt zijn hoofd en zegt “In een normale, buurman. In een normale.”

U zucht eens diep, en laat deze wetenschap samen met de frisse herfstbries op u inwerken. Ineens lijkt het net wat stiller, net wat vrediger, net wat minder belangrijk allemaal; dat leven waar u zojuist weer ingestapt bent. Vervolgens gaat u met goede moed door het tuinpoortje voor een stevig blokje om. De spieren moeten soepel blijven, want “De week van de achterlijke volksdansjes” staat alweer voor de deur.

Koopzondag

Met een opgepropte C&A-tas waarin een bespottelijk goedkoop bloesje met angst en beven de vergetelheid tegemoet ziet loop ik de schuifdeuren door. Het krioelt in ’s-Hertogenbosch. Koopzondag; dan heeft de Brabantse burger ineens allerlei spullen nodig die op zaterdag nog volstrekt overbodig waren. Koopzucht jaagt de colonnes bezwete dames van de ene naar de andere winkel, waar de rijen voor de kassa langer zijn dan bij, pak ‘em beet, de Droomvlucht. Ik worstel me langs zevenhonderd kilo coupe du soleil om bij mijn tegen de winkelruit gestalte fiets te komen. Met mijn sleuteltje in mijn hand kijk ik naar de overkant van de straat. “Kees Kroket” heeft een goede dag. De automatiek wordt lustig leeg gegrist en er staan een goeie twintig man te wachten op hun gehaktbal uit de jus. Berta Bamiblok kan tevreden zijn.

Op het bankje voor de welvarende afhaalsnackbar zit een vrouw met haar twee dochters. Althans, dat neem ik aan, afgaande op de drie identieke roze haarbanden.

Moeder heeft een royaal be-sauste zak friet in haar worstige knuisten. Tussen haar en dochter 1 in staan twee bakjes met een frikadel speciaal en een neergestort soft-ijsje erin. Moeder weegt, schat ik ruwweg, een goeie honderdvijftig kilo. Dochter 1 doet haar best. Nog niet zo vlezig als haar draagster, maar goed op weg, duwt ze een vleeskroket in haar mond. Een blikje cola balanceert op haar knie. Beide dames kijken stug voor zich uit.

Dochter 2 is denk ik 8 jaar. Ze heeft grote blauwe ogen en wat subtiele sproetjes uitgestrooid over haar wangen. Ze is klein en slank, en heeft een ballerinajurkje aan. In haar linkerhand een lolly. Feeënstafje. In haar rechterhand een frikadel. Ze eet er niet van. Ze kijkt naar de mensen die langs lopen. Het is een mooi meisje. Een meisje waar ik in groep 6 tegen beter weten in verliefd op geworden was.

“Hee! Gij wilde een frikadel. Wel opeten dan!” Moeder kijkt dochter 2 bestraffend aan. Dochter 1 zegt “anders wil ik ‘m wel.”

“Gij wilde geen frikadel, dan nie zeuren.”

Het doet me deugd dat er nog ouders zijn die op hun strepen durven te gaan staan. Dat zie je niet vaak meer. Het feetje neemt voorzichtig een hapje van de slappe vleesstaaf in haar handje. Weinig enthousiasme.

“Mag ik frietjes?” vraagt ze.

“We eten morgen al friet.”

“O.”

Ik rits mijn jack dicht. Het schijnt nazomer te zijn.

“Nou, eet dat ding op, we gaan.”

Moeder staat op en sabbelt haar vingers af. Dochter 1 pakt de lege bakjes en schommelt naar de vuilnisbak. Dochter 2 springt van het bankje af. “Kijk” zegt ze, en ze draait een pirouetje.

“Goed zo.” Moeder pakt haar boodschappentassen en begint door de drukte te ploegen. Dochter 1 volgt. Ik zie nu dat ze allebei een legging dragen, bijpassend bij de haarband. Een golvend roze landschap van cellulitis. Op een afstandje volgt het feetje. Ze zwaait met haar lolly en neemt kleine hapjes van haar frikadel. Ze vind hem niet lekker. Net als ik bier ooit niet lekker vond. Vrees ik. Ik pak mijn fiets en begin te lopen. Ik kijk nog een keer om.

De geur van frituurvet drijft me achterna, en feetje huppelt de massa in, haar vadsig lot tegemoet.